icon

Analoge toepassing 6:6 Awb

Als een appellant in zijn beroepschrift of hoger beroepschrift tegen een besluit van het bestuursorgaan respectievelijk uitspraak van de rechtbank slechts verwijst naar zijn eerder ingediende zienswijzen, bezwaar- of beroepsgronden, dan moet hij de mogelijkheid krijgen alsnog schriftelijk toe te lichten waarom het besluit dan wel de uitspraak onjuist is. Zijn (hoger) beroepschrift mag niet direct ‘kennelijk ongegrond' worden verklaard. Dat heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State recent bepaald in twee op dezelfde dag gewezen uitspraken (zaaknummer 201112256/1/A4 en zaaknummer 201207716/1/A4).

In het bestuursrecht is het heel gebruikelijk dan eerst een beroepschrift zonder gronden wordt ingediend. In de praktijk wordt dit ook wel een “pro-forma” beroepschrift genoemd, hoewel deze term in het bestuursrecht niet bestaat. Waar het om gaat is dat de indiener van een dergelijk beroepschrift in verzuim is doordat het beroepschrift niet voldoet aan de eisen van artikel 6:5 Algemene wet Bestuursrecht. Op grond van artikel 6:6 Awb moet de indiener in de gelegenheid worden gesteld dit verzuim te herstellen. In het algemeen geldt daarvoor een termijn van vier weken, in zaken waar de Crisis- en herstelwet van toepassing is twee weken. Gaat deze termijn ongebruikt voorbij dan zal het beroepschrift door de rechter op grond van artikel 8:54 Awb kennelijk ongegrond worden verklaard.

Tot zover duidelijk. Een beroepschrift zonder gronden betekent het aanbieden van een hersteltermijn. Niet geheel duidelijk was de situatie, zoals in bovengenoemde uitspraken het geval was, waarin de appellant in zijn (hoger) beroepschrift slechts verwijst naar zijn eerder in de procedure ingediende zienswijzen, bezwaar- of beroepsgronden zonder dat hij heeft aangeduid waaróm het besluit van het bestuursorgaan of uitspraak van de rechtbank onjuist is. Dient aan de appellant dan ook een hersteltermijn te worden geboden?

Ja, zo oordeelt de Afdeling. Volgens de Afdeling zijn deze gevallen zo verwant met gevallen waarin in het beroepschrift of hoger beroepschrift in het geheel geen gronden zijn aangevoerd dat artikel 6:6 Awb op deze situatie analoog dient te worden toegepast. Dat betekent dat de appellant bij brief wordt uitgenodigd om binnen een nadere termijn van vier weken (in Crisis- en herstelwetzaken twee weken) alsnog schriftelijk toe te lichten waarom het besluit van het bestuursorgaan dan wel de uitspraak van de rechtbank onjuist is.

Hiervoor is volgens de Afdeling echter geen aanleiding indien in het beroepschrift of hoger beroepschrift één of meer beroepsgronden wél van een toelichting zijn voorzien, maar voor de overige beroepsgronden louter is verwezen naar eerder ingediende zienswijzen, bezwaren of beroepsgronden. Aangezien het beroepschrift dan in ieder geval één grond bevat, is zowel rechtstreekse als analoge toepassing van artikel 6:6 Awb volgens de Afdeling niet aan de orde. Dit brengt mee dat aan de appellant geen gelegenheid hoeft te worden geboden om, ter aanvulling op de loutere verwijzing in het beroepschrift naar de eerdere ingediende zienswijzen, bezwaar- of beroepschrift, ter zitting alsnog te motiveren waarom hij het besluit van het bestuursorgaan resp. uitspraak van de rechtbank ontoereikend acht. Evenmin hoeft daarvoor een nadere zitting te worden gehouden. Alleen de toegelichte gronden worden dan behandeld. Hiermee wordt volgens de Afdeling geen rechtsregel geschonden. Indieners van beroepschriften doen er dus verstandig aan om óf helemaal geen gronden in te dienen dan wel het beroepschrift meteen van alle gronden te voorzien.


Yordy Soffner is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bestuursrecht

Analoge toepassing 6:6 Awb