icon

Bedrijfsopvolgingsregeling discrimineert niet!

Op 22 november 2013 oordeelde de Hoge Raad dat de fiscale vrijstelling van successie- en schenkingsrechten van ondernemingsvermogen niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De wetgever mag onderscheid maken tussen het belasten van ondernemingsvermogen en het belasten van privévermogen.

De Hoge Raad maakt hiermee een einde aan de onduidelijkheden rondom de bedrijfsopvolgingsregeling (hierna: BOR), die onderwerp was van een pittige discussie. De BOR kent een vrijstelling toe aan degenen die ondernemingsvermogen erven of geschonken krijgen. Verkrijgers van ondernemingsvermogen hebben namelijk voor de erf- en schenkbelasting recht op een vrijstelling van 100% tot een bedrag van € 1.006.000,- en over het meerdere geldt een vrijstelling van 83%. Voor verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen (privévermogen) geldt de vrijstelling niet.

Volgens de rechtbank Breda is daarom sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod, zoals blijkt uit verschillende internationale verdragen. Ook verkrijgers van privévermogens hebben volgens de rechtbank recht op de vrijstelling. Deze uitspraak heeft de discussie rondom de BOR flink aangewakkerd en ertoe geleid dat duizenden bezwaarschriften zijn ingediend tegen opgelegde aanslagen erf- en schenkbelasting. Vijf zaken zijn als proefprocedure aan de Hoge Raad voorgelegd.

De advocaat-generaal IJzerman (hierna: A-G) oordeelde ook dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel en adviseerde de Hoge Raad om particulieren tot op bepaalde hoogte te laten delen in vrijstellingen voor de erf- en schenkbelasting. De A-G meent dat de regeling in strijd is met het gelijkheidsbeginsel voor zover de vrijstelling meer bedraagt dan 75%.

De Hoge Raad oordeelt echter in zijn arresten dat het internationale gelijkheidsbeginsel niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbiedt, maar alleen die waarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt. Er is alleen sprake van verboden discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel. Omdat de verkrijging van ondernemingsvermogen en van andere vermogensvormen voor de heffing van schenking- en erfbelasting volgens de Hoge Raad als gelijke gevallen zijn aan te merken, moet de vraag worden beantwoord of een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het verschil in behandeling bestaat.

De internationale normen laten de wetgever op fiscaal gebied hierbij in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid. Als het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient de keuze van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen.

De Hoge Raad bespreekt kort de doelstellingen die de wetgever heeft nagestreefd met de BOR. De wetgever heeft de BOR in het leven geroepen omdat de heffing van successie- en schenkingsrecht bij verkrijging van ondernemingsvermogen liquiditeitsproblemen kan oproepen waardoor de continuïteit van ondernemingen in gevaar kan komen. Daarbij heeft de wetgever met name familiebedrijven op het oog gehad. Die bedrijven zijn van belang voor behoud en groei van de werkgelegenheid, behoud van economische diversiteit en voor stabiliteit. Ook heeft de wetgever het ondernemerschap willen stimuleren. Volgens de Hoge Raad gaat het om gerechtvaardigde doelstellingen, die niet dusdanig evident onredelijk zijn.

De Hoge Raad concludeert dat geen sprake is van een bevoordeling van de verkrijging van ondernemingsvermogen, die leidt tot discriminatie. De wetgever hoeft de wet dus niet aan te passen en de BOR kan (in ieder geval voorlopig) in haar huidige vorm blijven bestaan.


Lonni Westland is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied column

Bedrijfsopvolgingsregeling discrimineert niet!