icon

Ook intrekkingsbevoegdheid bij gedeeltelijke niet-gebruikmaking omgevingsvergunning

In artikel 2.33 lid 2 sub a van de Wabo is bepaald dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk kan intrekken voor zover gedurende een bepaalde termijn geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Uitgangspunt daarbij is een termijn van drie jaar, maar voor enkele specifiek benoemde omgevingsvergunningen geldt een termijn van 26 weken dan wel de in de vergunning opgenomen termijn. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft onlangs in haar uitspraak van 24 december 2013 uitgemaakt dat deze intrekkingsbevoegdheid niet alleen bestaat wanneer in het geheel geen gebruik is gemaakt van de vergunning, maar óók wanneer slechts van een deel van de vergunning geen gebruik is gemaakt. Wél dient het bevoegd gezag na te gaan of het in redelijkheid tot gedeeltelijke intrekking kan overgaan.

In voornoemde uitspraak heeft het college van B&W van de gemeente Nijmegen een aan het bedrijf Toorank op grond van de Wet milieubeheer verleende vergunning voor het produceren, distilleren en bottelen van alcohol- en niet-alcoholhoudende drank op grond van artikel 2.33 lid 2 sub a Wabo gedeeltelijk ingetrokken, en wel voor de activiteiten die betrekking hebben op het stoken van whisky. In de procedure bij de rechtbank heeft de rechtbank overwogen dat vast staat dat Toorank in de drie jaar voorafgaand aan de gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning drank heeft opgeslagen op het terrein van de inrichting. Volgens de rechtbank brengt dit mee dat niet kan worden geoordeeld dat gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. De vergunning kon daarom niet gedeeltelijk worden ingetrokken.

De Afdeling oordeelt in hoger beroep echter dat uit de tekst van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo niet volgt dat de bevoegdheid tot het geheel dan wel gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning slechts bestaat als in het geheel geen gebruik is gemaakt van de vergunning. De woorden ‘voor zover' in de tekst van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, duiden erop dat de bevoegdheid tot intrekken ook bestaat wanneer van een deel van de vergunning gedurende drie jaar geen gebruik is gemaakt. Vaststaat dat het stoken van whisky gedurende drie jaar niet binnen de inrichting heeft plaatsgevonden. Het college was dan ook in beginsel bevoegd om de vergunning met toepassing van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, voor wat betreft het stoken van whisky in te trekken.

Toorank stelt verder dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte gedeeltelijk heeft ingetrokken, omdat volgens haar het stoken van whisky onlosmakelijk met de overige vergunde activiteiten is verbonden. De Afdeling oordeelt echter dat niet van een zodanige samenhang tussen het stoken van whisky en de overige activiteiten is gebleken nu vaststaat dat binnen de inrichting stoken van whisky nooit heeft plaatsgevonden en dat de overige activiteiten waarvoor vergunning is verleend wel hebben plaatsgevonden.

Toorank stelt ook dat haar niet te verwijten valt dat zij niet met het stoken van whisky is aangevangen en daarom gedurende drie jaar in zoverre geen van de aan haar verleende vergunning gebruik heeft gemaakt. Toorank verwijst daarbij naar de onzekerheid van planologische ontwikkelingen en besluitvorming bij de gemeente die ertoe hebben geleid dat investeringen om whisky te destilleren zijn uitgesteld en dat daarom geen activiteiten zijn verricht. Gelet hierop kon het college volgens Toorank de vergunning niet in redelijkheid gedeeltelijk intrekken.

De Afdeling gaat hier in mee en oordeelt dat onduidelijk was wat de gevolgen van de planologische ontwikkelingen voor Toorank zouden zijn. Gelet op deze onzekerheid kan Toorank redelijkerwijs niet worden verweten dat zij heeft afgezien van investeringen voor het stoken van whisky en dat zij dus gedurende drie jaar geen gebruik heeft gemaakt van de vergunning voor zover die op stoken van whisky ziet. Het college heeft gelet hierop niet in redelijkheid tot gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning kunnen overgaan.

Hoe dan ook: vergunninghouders moeten er rekening mee houden dat een vergunning ook bij gedeeltelijke niet-gebruikmaking kan worden ingetrokken. Verder is het voor het bevoegde gezag van belang te realiseren dat het hier een bevoegdheid betreft en dat het dient na te gaan of het in redelijkheid tot intrekking kan overgaan.


Yordy Soffner is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied omgevingsrecht

Ook intrekkingsbevoegdheid bij gedeeltelijke niet-gebruikmaking omgevingsvergunning