icon

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opnieuw op de schop

Ruim 12 jaar na de laatste wijziging van het burgerlijk procesrecht heeft de wetgever opnieuw een voorzet gegeven voor een nieuwe ronde met wijzigingen. De voorgenomen wijzigingen zijn opgenomen in het Voorstel tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (het Voorstel). De Raad voor de rechtspraak (de Raad) lijkt overwegend positief.

Het doel van de wijzigingen is de rechtspraak eigentijdser en toegankelijker maken. Hieronder worden de meest in het oog springende wijzigingen opgesomd.

Digitaal

Het gaat gebeuren: de digitalisering van de rechtspraak.

In het voorstel zullen alle civiele én bestuurlijke procedures in de toekomst digitaal worden gestart door middel van het invullen van een digitaal formulier in een webportaal in “Mijn zaak”. Ook het indienen van processtukken gaat in de toekomst digitaal. Deze digitalisering gaat gepaard met de wijziging of schrapping van bepaalde artikelen in de wet (vgl. artikel 33 Rv over de communicatie met de gerechten en artikel 34 over het opnieuw overleggen van stukken na verwijzing, hoger beroep op cassatie). De stukken worden ondertekend door middel van een digitale handtekening (artikel 3:15a en b BW).

De angst die bij de Raad lijkt te bestaan voor het “over de schutting gooien van enorme hoeveelheden informatie” deel ik niet. Ten eerste krijgt de rechter in artikel 77d Rv (nieuw) de mogelijkheid om gegevens en bescheiden te weigeren voor zover de aanvaarding daarvan in strijd zou zijn met de eisen van een goede procesorde. Bovendien blijft de huidige specificatieplicht van kracht. Ook bestaat nu (al) de mogelijkheid om nieuwe stukken bij akte in het geding te brengen tot uiterlijk het moment dat de zaak voor vonnis staat.

Wel interessant is de vraag wie de eigenaar is en blijft van het digitale dossier. Is dat “de rechtspraak”, of zijn dat de behandelende advocaten. In dat laatste geval: geldt dat dan ook voor de stukken van de wederpartij. Hierop wordt geen antwoord gevonden in het Voorstel.

Het Voorstel voorziet (artikel 77 q Rv (nieuw)) in het digitaal opnemen van een getuigenverhoor, een deskundigenbericht en de plaatsopneming. Dat lijkt mij uitstekend. Mij heeft de oubollige en trage gang van zaken bij het getuigenverhoor altijd verbaasd, zeker in het licht van het gewicht dat de rechter bij de beoordeling van het geschil aan een getuigenverklaring hecht. Het Voorstel is de uitgelezen gelegenheid om het “oude” papieren tijdperk af te sluiten. Op dit moment is het opnemen van een getuigenverklaring uiterst omslachtig. Het duurt vaak uren voordat de verklaring op papier staat. De rechter hoort de getuige. Vervolgens krijgen de advocaten de gelegenheid vragen te stellen aan de getuige. De rechter maakt aantekeningen. Na het getuigenverhoor gaat de rechter op zoek naar een beschikbare griffier die de aantekeningen van de rechter (in het bijzijn van de getuige en advocaten) uittikt. Dit verzandt dikwijls in een time consuming discussie tussen de advocaten over wat de specifieke getuige nu wel of niet heeft verklaard. De getuige die -inmiddels gealarmeerd door de felle discussie tussen de advocaten- vervolgens zijn verklaring intrekt, althans “verbetert” zou zodoende verleden tijd zijn Bovendien geeft een digitale weergave beter de sfeer tijdens de getuigenverklaringen weer en kan zodoende leiden tot een betere weging van de verklaring door de rechter.

Integratie dagvaarding en verzoekschrift

In het voorstel worden de dagvaardingsprocedure en de verzoekschriftprocedure voor zover mogelijk geïntegreerd. Een procedure zal worden gestart met een verzoekschrift. Ik ben het met de Raad eens dat de term “verzoekschrift” voor het inleiden van een procedure verwarrend is omdat dat nu staat voor een bepaalde rechtsgang. Er kan beter worden gekozen voor “proces inleidend document” of zoals de Raad voorstelt “procesinleiding”.

Nieuw is dat partijen de wederpartij (dus ook als er sprake is van een vordering of eis) op informele wijze kunnen oproepen. In dat geval kan betekening door een deurwaarder achterwege worden gelaten. Dit betekent dat advocaten onderling afspraken kunnen maken over vrijwillige verschijning. Dit om (geringe) betekeningskosten te voorkomen. Wil men er echter zeker van zijn dat een procedure geen vertraging oploopt, of dat verstek wordt verleend bij niet verschijning van de wederpartij, dan kan men het best kiezen voor normale oproeping van de wederpartij.

Basisprocedure

Het Voorstel omschrijft in artikel 77 Rv (nieuw) de basisprocedure in eerste aanleg. In de basisprocedure zijn uniforme en ambtshalve termijnen opgenomen voor de doorloop van de procedure vanaf het tijdstip van het aanbrengen van de zaak. Het verheugt mij te zien dat de termijnen niet alleen gelden voor de procespartijen maar ook voor de rechter in het kader van het wijzen van een vonnis. Afwijken van de termijnen vereist een rechterlijke en gemotiveerde beslissing. Zodoende zal de rechter meer regie over de doorloop van de procedure én de procesverrichtingen krijgen.

In het huidige procesrecht is het geding aanhangig vanaf de dag der dagvaarding (artikel 125 Rv), maar is pas griffierecht verschuldigd bij het daadwerkelijk aanbrengen van de zaak bij de rechter.

In de basisprocedure starten de termijnen te lopen vanaf het tijdstip van ontvangst door de rechter van een langs digitale weg verzonden stuk (artikel 77c Rv (nieuw)). Het oproepen van een partij tegen een lange termijn is daarmee niet meer mogelijk. Ik vraag mij af of in het Voorstel direct bij het digitaal indienen van de zaak griffierechten verschuldigd zijn. Dit lijkt mij onwenselijk. In sommige gevallen wordt een dagvaarding tegen een langere termijn betekend. Dit om de verhoudingen tussen partijen op scherp te zetten en vóór de datum van verschijning de zaak te schikken. Deze mogelijkheid lijkt door het Voorstel te zijn ontnomen, met alle gevolgen voor het direct verschuldigd zijn van (hoge) griffierechten van dien.

Het recht op pleidooi wordt geschrapt (artikel 134 Rv). Dit wordt volgens het Voorstel ondervangen door de mondelinge behandeling ook in te richten voor pleidooi. Dit lijkt me uiterst onverstandig. Een mondelinge behandeling heeft een ander karakter, namelijk om een schikking te beproeven en/of om vragen van de rechter te beantwoorden. Dit is vriendelijker en meer gericht op een buitengerechtelijke oplossing, daar waar het pleidooi de standpunten van partijen (mede op basis van de tijdens de mondelinge behandeling van partijen verkregen antwoorden) nog eens op scherp zet. Het tevens aanwenden van de mondelinge behandeling voor pleidooi past niet in dit karakter. Ik zou daarom niet willen pleiten voor het schrappen van artikel 134 Rv.

Ik ben -behoudens de hierboven genoemde kanttekeningen- overwegend positief en hoop op snelle invoering van het Voorstel.


Diana Joosten is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied column

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opnieuw op de schop