icon

Tijdelijk verhuren van woonruimte blijft risicovol.

In een eerdere bijdrage is aandacht besteed aan (pogingen tot) verhuur van woonruimte ‘naar zijn aard van korte duur' in de zin van artikel 7:232 lid 2 BW. Hoewel dergelijke pogingen steeds vaker door de rechter lijken te worden goedgekeurd, zijn hieraan nog altijd risico's verbonden. Zo kunnen voorwaarden in de huurovereenkomst net op een ongelukkige manier zijn geformuleerd, waardoor de verhuurder bot vangt bij een eventuele procedure.

Een voorbeeld hiervan is een recente uitspraak van de kantonrechter te Rotterdam. Ingevolge artikel 7:232 lid 2 BW zijn de bepalingen van Afdeling 5 van Titel 4 van boek 7 BW niet van toepassing op huur welke een gebruik van woonruimte betreft dat naar zijn aard slechts van korte duur is. De kantonrechter overweegt dat deze uitzonderingsbepaling blijkens de parlementaire geschiedenis restrictief moet worden opgevat; het gaat om gevallen waarin voor iedereen duidelijk is dat er geen sprake kan en mag zijn van een beroep op huurbescherming.

Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een in artikel 7:232 lid 2 BW bedoeld uitzonderingsgeval dient, behalve naar de tekst van de huurovereenkomst zelf, te worden gekeken naar de aard van de woning in combinatie met de bedoelingen van partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst, de effectuering van die bedoelingen en de duur van het gebruik van de woning, aldus de kantonrechter.

Uit de inhoud van de betreffende huurovereenkomst blijkt echter, behalve ten aanzien van de tekst ‘Temporary lease' en de duur van de huurperiode van twaalf maanden, volgens de kantonrechter niet dat het om een gebruik van de woning gaat die naar haar aard slechts van korte duur is. Zo staat in de huurovereenkomst niet (uitdrukkelijk) vermeld dat de huurovereenkomst niet verlengd kan worden. In tegendeel, blijkens de tekst van de huurovereenkomst wordt de huurovereenkomst, bij niet tijdige opzegging, stilzwijgend verlengd met steeds een maand.

Gelet op de inhoud van de huurovereenkomst, en daarnaast tegenstrijdige verklaringen van partijen over hun bedoelingen bij het sluiten van de huurovereenkomst, is de kantonrechter van oordeel dat de onderhavige huurovereenkomst geenszins als een in artikel 7:232 lid 2 BW bedoeld uitzonderingsgeval kan worden aangemerkt waarin voor iedereen duidelijk behoort te zijn dat er geen sprake kan en mag zijn van een beroep op huurbescherming. De vordering van de verhuurder tot ontruiming wordt zodoende afgewezen.


Christopher Seine is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied huurrecht

Tijdelijk verhuren van woonruimte blijft risicovol.