icon

De bodem van de belastingplichtige

Sinds jaar en dag leveren de Belastingdienst en de banken in veel faillissementen een strijd wie er met de opbrengst van de zogenaamde bodemzaken vandoor gaat. Recentelijk heeft de Hoge Raad weer een arrest gewezen over dit onderwerp, ditmaal over het begrip ‘bodem'.

De Invorderingswet bepaalt dat de Belastingdienst een voorrecht heeft op alle goederen van de belastingschuldige: de algemeen bekende preferentie van de Belastingdienst. De Belastingdienst kan zich hiermee in beginsel bij voorrang verhalen op het gehele vermogen van de schuldenaar. Deze voorrang geldt ook in faillissement. De wet bepaalt dat pandrecht en hypotheekrecht gaan vóór voorrechten, zoals die van de Belastingdienst. Dat zou betekenen dat banken, die in de meeste faillissementen pandrecht hebben op een groot deel van het vermogen van de schuldenaar, vóór de Belastingdienst gaan.

De Invorderingswet maakt echter één belangrijke uitzondering op de regel dat pandrecht vóór het voorrecht van de Belastingdienst gaat. Artikel 21 lid 2 van de Invorderingswet bepaalt namelijk dat het fiscale voorrecht voor sommige belastingen, waarvan de belangrijkste de loonheffingen en de omzetbelasting zijn, sterker is dan een stil pandrecht op bepaalde roerende zaken, namelijk bodemzaken. Het fiscale voorrecht gaat in dat geval boven het stille pandrecht van de bank.

Een bodemzaak is een zaak die zich op de bodem van de belastingschuldige bevindt, en die dient “tot stoffering van een huis of landhoef, of tot bebouwing of gebruik van het land“. Over de vraag wat wel en niet onder deze ouderwetse definitie valt, is veel getwist. Vuistregel is dat inventaris (bureaus, computers, machines, etc.) een bodemzaak is en
voorraad niet.

Ook de vraag wat de bodem van de belastingplichtige is, is veel gediscussieerd. Over dat laatste punt heeft de Hoge Raad op 11 april 2014 een arrest gewezen. Deze zaak ging niet tussen een bank en de Belastingdienst, zoals meestal. In dit geval ging het over een eigenaar die zaken aan de (toekomstig) gefailleerde in bruikleen had gegeven in het kader van een franchiseovereenkomst. De Belastingdienst kwam na het faillissement beslag leggen op de bedrijfsinventaris in het pand waar de onderneming van de gefailleerde voorheen werd geëxploiteerd. Normaal heeft het geen zin om na faillissement van een schuldenaar nog beslag te leggen, maar de Belastingdienst heeft een recht dat geen andere schuldeiser heeft: het bodemrecht. De Belastingdienst mag onder omstandigheden beslagleggen op zaken die toebehoren aan derden (dus anderen dan de schuldenaar; in dit geval de franchisegever) en die zaken ook verkopen. Het moet dan wel gaan om bodemzaken. Vandaar dat ook in deze zaak de vraag kon rijzen wat de bodem was van de schuldenaar.

In 1991 heeft de Hoge Raad bepaald dat sprake is van een bodem ‘indien het perceel op het tijdstip van de beslaglegging feitelijk in gebruik is bij de belastingschuldige en hij daarover onafhankelijk van anderen de beschikking heeft, waarbij naast de feitelijke omstandigheden ook de rechtsverhoudingen tussen de betrokken partijen in aanmerking kunnen worden genomen'.

In de recente zaak in 2014 kwam vast te staan dat de gefailleerde de exploitatie van haar onderneming per de faillissementsdatum had gestaakt. De curator had van de verhuurder van het pand waar de onderneming voorheen werd geëxploiteerd, de sleutels gekregen en met de verhuurder gesproken over een lekkage. De bestuurder van gefailleerde bleek ook nog sleutels van het pand te hebben. De curator had het pand diverse keren bezocht. Er bevond zich in het pand nog enige administratie van gefailleerde.

De Hoge Raad oordeelt dat ‘enig gebruik van het perceel door de curator' onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat een perceel als bodem heeft te gelden. Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van enige administratie. In beginsel zijn handelingen die de curator verricht tot beheer en vereffening van de boedel onvoldoende. In beginsel is voortzetting van het bedrijf van gefailleerde wèl voldoende om het perceel waar dat gebeurt, als bodem aan te merken.

Dit oordeel heeft tot gevolg dat partijen die rechten kunnen doen gelden op zaken die zich op de (voormalige) bodem van een gefailleerde bevinden, er belang bij hebben dat de onderneming van die gefailleerde niet door de curator wordt voortgezet. Het wachten is op een procedure tussen zo'n rechthebbende en een curator die de onderneming zonder toestemming van die rechthebbende voortzet.


Peter Bos is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied financiering en Zekerheden

De bodem van de belastingplichtige