icon

Fietsenstalling art. 7:290-bedrijfsruimte?

Eerder berichtten wij u al over de huurbescherming die huurders van ‘middenstandsbedrijfsruimte' (denk aan winkels, restaurants, cafés) op basis van de wet genieten ten opzichte van huurders van ‘overige bedrijfsruimte' (bijvoorbeeld kantoren, fabrieken of pakhuizen). Het is niet altijd direct duidelijk of in een concreet geval sprake is van huur van middenstandsbedrijfsruimte (de zogeheten art. 7:290-bedrijfsruimte) of overige bedrijfsruimte (art. 7:230a-bedrijfsruimte).

Volgens artikel 7:290 lid 2 onder a moet onder middenstandsbedrijfsruimte worden verstaan:
een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en verhuur bestemd is voor de uitoefening van (…) een ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is.

Begin 2009 diende het Gerechtshof Amsterdam de vraag te beantwoorden of een (betaalde) fietsenstalling met een kleine reparatie-/verkoophoek als artikel 7:290-bedrijfsruimte kan worden gekwalificeerd.

Het hof stelt in zijn uitspraak voorop dat voor de beantwoording van de vraag of een huurovereenkomst moet worden aangemerkt als huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW dan wel in de zin van artikel 7:230a BW, beslissend is hetgeen partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, omtrent het gebruik daarvan voor ogen heeft gestaan.

De reparatie-/verkoophoek is een activiteit in de zin van artikel 7:290 BW volgens het hof, de stalling daarentegen valt alleen onder artikel 6:230a BW. Het hof dient zodoende te beoordelen welke van beide activiteiten overheersend is. Indien in de betreffende bedrijfsruimte de activiteiten van de reparatie-/verkoophoek overheersend zouden zijn, dan zou de gehele bedrijfsruimte als middenstandsbedrijfsruimte hebben te gelden, ook al vinden overigens de reparatie-/verkoopwerkzaamheden feitelijk niet in het gehuurde gedeelte plaats.

Van belang is volgens het hof dat de bedrijfsruimte wat betreft de indeling in overwegende mate wordt gebruikt voor fietsenstalling/-opslag. Hoewel de oppervlakte waarop de activiteiten worden ontplooid niet de enige in aanmerking te nemen factor is, moet worden vastgesteld dat deze activiteit in ieder geval qua oppervlakte overheerst. Daarnaast zijn volgens het hof de bouwkundige kenmerken van het gehuurde van belang. Het hof wijst erop dat de entree eruit ziet als een gewone huisdeur, het gehuurde een steile toegangstrap heeft, er geen etalage aanwezig is en er geen afzonderlijke verkoopruimte is. Het hof stelt zodoende vast dat noch het feitelijk gebruik, noch de bouwkundige kenmerken van het gehuurde wijzen op gebruik als middenstandsbedrijfsruimte. Het hof merkt vervolgens nog op dat het enkele feit dat de omzet van de reparatie-/verkoopinrichting (veel) groter is dan van de stalling onvoldoende is om de bedrijfsruimte te kwalificeren als middenstandsbedrijfsruimte.

Het hof concludeert zodoende dat de betreffende fietsenstalling met kleine reparatie-/verkoophoek niet kan worden gekwalificeerd als artikel 7:290-bedrijfsruimte.


Christopher Seine is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied huurrecht

Fietsenstalling art. 7:290-bedrijfsruimte?