icon

Curator en milieu: kosten van bestuursdwang zijn boedelschuld

In januari 2012 woedt een brand in een bedrijfspand in Veendam. Het bedrijf verkeert op dat moment in staat van faillissement. De brand wordt geblust door de brandweer van Veendam, waarbij het bluswater in een nabijgelegen sloot stroomt. Na de brand blijkt uit onderzoek van het waterschap dat het bluswater is verontreinigd met zink. Het waterschap past spoedeisende bestuursdwang toe en legt een last onder bestuursdwang op aan de curator wegens het zonder vergunning krachtens de Waterwet brengen van verontreinigd bluswater in het oppervlaktewaterlichaam en beslist dat de kosten hiervan ten laste komen van de boedel in het faillissement.

Kan dat? Het antwoord is ‘ja', zo volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 juli 2014.

Curatoren worden regelmatig geconfronteerd met handhavingsbesluiten van een bestuursorgaan gericht tot gefailleerde en/of de curator zelf, wegens overtreding van milieuregels. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft inmiddels met een aantal uitspraken een duidelijke lijn uitgezet over de positie van de curator, die erop neerkomt dat de curator verantwoordelijk is voor de naleving van de geldende milieuregels. In onze bijdrage van 18 april 2013 schreef ik hierover naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 13 februari 2013: Met deze uitspraak werd ook duidelijk dat voor de kwalificatie van vorderingen tot betaling van verbeurde dwangsommen wegens een aan gefailleerde vóór de datum van faillissement opgelegde last, bepalend is of die vorderingen voor of na faillissement zijn ontstaan. Dwangsommen die zijn verbeurd vóór datum faillissement leiden tot vorderingen die in de failliete boedel vallen en dwangsommen die zijn verbeurd na datum faillissement moeten als niet-verifieerbare schulden worden aangemerkt.

In de uitspraak van 24 juli wordt de eerdere jurisprudentie over de positie van de curator bevestigd. De curator betoogt dat hij als curator in het faillissement niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de lozing van bluswater vanuit het pand en daarom niet als overtreder van het verbod in de Waterwet (art. 6.2 lid 1 aanhef en onder a) kan worden beschouwd. Dit betoog slaagt niet, hetgeen gelet op eerdere jurisprudentie niet verwonderlijk is. Zo oordeelde de Afdeling in de uitspraken over kostenverhaal van spoedeisende bestuursdwang wegens het in het oppervlaktewater geraken van verontreinigd bluswater gebruikt bij de bestrijding van de brand bij Chemie-Pack dat de overtreding van de Waterwet aan het bedrijf is toe te rekenen, omdat de gevolgen van de brandbestrijding moeten worden toegerekend aan het bedrijf ten aanzien waarvan de bluswerkzaamheden zijn verricht. En voorts, zoals onder andere uit de uitspraak van 13 februari 2013 volgt, dat de curator als beheerder van de boedel vanaf het moment van faillietverklaring van een bedrijf verantwoordelijk is voor de uit de milieuwetgeving voortvloeiende verplichtingen van een bedrijf. Hoewel ik meen dat de Afdeling in de Chemie-uitspraken en ook dus in de recente uitspraak wel in heel algemene bewoordingen de kosten van het ongedaan maken van de overtreding als gevolg van het blussen door de brandweer toerekent aan het bedrijf, moet geconstateerd worden dat dit duidelijk de gekozen lijn is en dat een curator zich goed rekenschap moet geven van zijn positie in dit soort situaties.

Nieuw is dat de Afdeling beoordeelt hoe een vordering tot betaling van de kosten van toepassing van bestuursdwang op basis van een tot de curator gerichte last moeten worden gekwalificeerd en hiervoor aansluiting zoekt bij het baanbrekende arrest van de Hoge Raad van 19 april 2013 (Koot/Tideman) waarin het ‘toedoen-criterium' werd verlaten. In dit arrest overweegt de Hoge Raad dat een boedelschuld kan ontstaan hetzij ingevolge de wet, hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid is aangegaan, hetzij omdat zij een gevolg is van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. De Afdeling oordeelt in de uitspraak van 24 juli dat dit laatste geval zich voordoet: toepassing van bestuursdwang en een eventueel verhaal van kosten zijn het gevolg van het handelen of nalaten van de curator in strijd met de uit hoofde van zijn hoedanigheid als curator in het faillissement op hem rustende verplichting om de Waterwet na te leven, althans handelen of nalaten dat aan hem in de hoedanigheid van curator kan worden toegerekend. Deze redenering lijkt me juridisch juist en de keuze om aan te sluiten bij de jurisprudentie van de Hoge Raad is vanuit het oogpunt van rechtseenheid goed.

Ik kan me wel indenken dat onder curatoren enige vrees bestaat dat deze jurisprudentie mogelijkheden biedt voor strategisch gedrag. Uit de in mijn blog van vorig jaar besproken uitspraken uit 2002 en 2013 volgt namelijk dat een vordering voortvloeiend uit een last gericht tot een gefailleerde die opeisbaar wordt na faillissement, een niet-verifieerbare schuld is. De uitspraak van 24 juli 2014 ziet hier niet op en geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Dat betekent wel dat het in ieder geval vanuit financieel oogpunt aantrekkelijk kan zijn om even te wachten tot na faillissement om dan de curator aan te schrijven wegens niet naleving van milieuregels. Of het algemeen milieubelang daarmee daadwerkelijk wordt gediend is een andere vraag, die wel leidend zou moeten zijn. In ieder geval is duidelijk dat de overheid dit in spoedeisende gevallen niet kan doen. En in alle andere gevallen hoop ik maar dat het niet zo'n vaart zal lopen en ‘gewoon' gehandhaafd wordt wanneer dat (volgens de daarvoor geldende regels) moet.


Cathine Knijff is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied omgevingsrecht

Curator en milieu: kosten van bestuursdwang zijn boedelschuld