icon

Foutieve betaling op verpande vordering komt bank duur te staan

Wanneer ondernemers met banken of andere kredietverstrekkers een kredietovereenkomst aangaan, bedingt de kredietverstrekker vrijwel altijd een aantal zekerheidsrechten. De ondernemer kan bijvoorbeeld ten behoeve van de kredietverstrekker een pandrecht op bepaalde goederen vestigen. Als de ondernemer (de pandgever) zijn verplichtingen uit de kredietovereenkomst vervolgens niet nakomt, kan de kredietverstrekker (de pandnemer) de kredietverhouding opzeggen, het pandrecht inroepen en overgaan tot executie. Zijn bijvoorbeeld voorraden verpand, dan kan de pandhouder die goederen opeisen en openbaar verkopen. Als vorderingen zijn verpand, kan de pandhouder de debiteur(en) aanschrijven om mededeling van de verpanding te doen. De debiteuren dienen vervolgens aan de pandhouder te betalen, waardoor de vordering tenietgaat en het pandrecht vervalt.

In een recente zaak voor het Gerechtshof Amsterdam stonden de gevolgen van een (al dan niet) tenietgegaan pandrecht ter discussie. Wat speelde er in deze zaak?

De bank had voorafgaand aan het verstrekken van krediet aan X aanvullende zekerheid bedongen. De schoonvader van X, hierna te noemen pandgever Y, had ingestemd met de vestiging van een pandrecht ten gunste van de bank, op zijn depositorekening aangehouden bij dezelfde bank, tot een bedrag van € 80.000,-. Een aantal jaren later verstrijkt de looptijd van de depositorekening. Het op de depositorekening staande bedrag van € 80.000,- zou normaal gesproken door het gevestigde pandrecht op die rekening blijven staan. De bank had echter door een interne (communicatie)fout het gehele bedrag overgeboekt naar een betaalrekening van pandgever Y bij de bank, waarmee het bedrag vrij is gekomen en vervolgens door pandgever Y is overgeboekt naar een andere bank. X blijft vervolgens nalatig met het aflossen aan de bank uit hoofde van de kredietovereenkomst en de bank zegt overeenkomst op. Pandgever Y wordt door de bank aangesproken tot betaling van € 80.000,-, en beroept zich primair op artikel 6:33 BW en subsidiair op artikel 6:74 BW. De rechtbank wijst de vordering in eerst aanleg af. Het gerechtshof overweegt als volgt:

‘Pandrecht kan – zoals in deze zaak aan de orde is – worden gevestigd op een vordering van de pandgever op de pandhouder zelf. Dit komt veelvuldig voor. Zo biedt artikel 24 lid 1 aanhef en sub a van de Algemene Bankvoorwaarden een contractuele grondslag voor een dergelijk pandrecht. Een dergelijk pandrecht is steeds een openbaar pandrecht. Waar pandhouder en schuldenaar in één persoon zijn verenigd heeft de akte waarbij het pandrecht wordt gevestigd tevens te gelden als mededeling aan de schuldenaar. Die is immers, zij het tevens in de hoedanigheid van pandhouder, partij bij de akte.

Ingevolge artikel 6:33 BW heeft de schuldenaar een verhaalsrecht jegens de schuldeiser, indien hij in weerwil van een medegedeeld pandrecht op de vordering aan de schuldeiser heeft betaald en de schuldenaar deswege genoodzaakt wordt om opnieuw te betalen en wel aan de inningsbevoegde pandhouder. In dit geval heeft ING, in weerwil van het aan haar medegedeelde pandrecht, aan haar schuldeiser [geïntimeerde] betaald. Deswege is ING evenwel niet genoodzaakt om opnieuw te betalen. Het moge zo zijn dat deze betaling berustte op een organisatorische of administratieve vergissing, maar niemand, inclusief ING zelf, verplichtte haar om nogmaals te betalen. Dat is in dit geval ook niet gebeurd, terwijl eerst een tweede betaling een vorderingsrecht op grond van artikel 6:33 BW doet ontstaan [..]’

Wat betreft het beroep van de bank op wanprestatie ingevolge artikel 6:74 BW geldt dat moet worden beoordeeld of pandgever Y tekort is geschoten in de nakoming van enige verbintenis uit de in de pandakte vastgelegde overeenkomst. Beantwoording van die vraag vergt volgens het hof uitleg van die overeenkomst.

Het hof stelt voorop dat vaststaat dat het pandrecht is komen te vervallen als gevolg van de betaling door de bank aan de pandgever Y. De vraag of pandgever Y vervolgens uit hoofde van de pandakte nog steeds verplicht is zekerheid te stellen voor de terugbetaling van het aan X geleende krediet beantwoordt het gerechtshof negatief. De bepaling in de pandakte waarnaar de bank verwijst is slechts een uitleg van de wettelijke gevolgen van de verpanding van de vordering, namelijk dat pandgever Y door het pandrecht niet vrijelijk over de € 80.000,- kan beschikken. Niet is hiermee bedoeld dat pandgever Y ook na het vervallen van het pandrecht niet over het bedrag zou kunnen beschikken. Tot slot overweegt het hof ook dat pandgever Y uit de overboeking van de bank had mogen afleiden dat de bank kennelijk had besloten het verpande bedrag vrij te geven. De vordering van de bank wordt afgewezen.


Lonni Westland is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied incasso

Foutieve betaling op verpande vordering komt bank duur te staan