icon

Vereisten aan de ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen door bestuursorganen

Overheden moeten binnen wettelijk gestelde beslistermijnen een besluit op een aanvraag of een bezwaarschrift nemen. Wordt er niet tijdig beslist, dan verbeurt het bestuursorgaan dwangsommen (afdeling 4.1.3 van de Awb). De aanvrager zal het bestuursorgaan echter eerst in gebreke moeten stellen. Aan deze ingebrekestelling is een aantal vereisten verbonden.

De ingebrekestelling moet schriftelijk zijn en het zal op zijn minst duidelijk moeten zijn dat de steller het bestuursorgaan duidelijk heeft willen maken dat de beslistermijn is verstreken (zie daarover onze blog van 15 mei 2013). Daarnaast moet het voor het bestuursorgaan duidelijk zijn op welk te nemen besluit de ingebrekestelling is gericht. Alleen de bewoordingen “ik stel u in gebreke” is niet voldoende. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:17 van de Awb volgt dat van een ingebrekestelling in de zin van de wet slechts sprake kan zijn indien voldoende duidelijk is op welk te nemen besluit zij betrekking heeft (Kamerstukken 2004/05, 29 934, nr. 3, blz. 7). De Afdeling oordeelde zodoende in een uitspraak van 22 oktober 2014 dat de minister zich daarom in dat geval op het standpunt mocht stellen dat onvoldoende duidelijk was op welk te nemen besluit de ingebrekestelling in kwestie betrekking had, nu deze niet was voorzien van de datum en het kenmerk van dat besluit.


Claudia Koenen is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bestuursrecht

Vereisten aan de ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen door bestuursorganen