icon

(Passeren van) een bewijsaanbod

Op 31 oktober 2014 heeft de Hoge Raad weer een arrest gewezen waarin de toepassing door het Hof van de spelregels bij het aanvaarden of passeren van een aanbod tot het horen van getuigen werden beoordeeld.

In het arrest herhaalt de Hoge Raad eerst de regels die voortvloeien uit vaste rechtspraak:

“3.3.2 Bij de beoordeling van dit onderdeel is – op grond van vaste rechtspraak (vgl. HR 9 juli 2004, NJ 2005/270) – uitgangspunt dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten, indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. (….)”.

In de kwestie die heeft geleid tot dit arrest concludeert de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof dat eiseres in de zaak een onvoldoende specifiek en/of relevant bewijsaanbod heeft gedaan, onbegrijpelijk is. Uit het partijdebat werd volgens de Hoge Raad voldoende duidelijk op welke stelling het aanbod om een bepaalde getuigen te horen, betrekking had.

Dit, ondanks dat het bewijsaanbod zélf slechts in algemene termen was gedaan en zonder dat daarin werd herhaald op welke stellingen het getuigenbewijs specifiek betrekking zou hebben. In de context van het processuele debat kon de conclusie geen andere zijn dan dat het aanbod om de specifieke getuige te horen slechts zag op diens verklaring met betrekking tot de aanslag successierecht. En dus was dit bewijsaanbod voldoende specifiek en relevant en mocht het Hof dit niet passeren.


Sabine Hirdes is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied conflictoplossing / Procesrecht

(Passeren van) een bewijsaanbod