icon

Vermenging en pandrecht

Leveranciers en financiers willen graag zekerheid dat hun schuldenaar hun vordering voldoet. Zoals wij al eerder schreven, kunnen zekerheidsrechten vaak het verschil betekenen tussen het (deels) betaald krijgen van de vordering en het met lege handen achterblijven. Dit geldt met name in faillissement. Een zekerheidsrecht kan ook tenietgaan. Eén van de manieren waarop dit kan, is als de zaak waarop het eigendomsrecht rust, verdwijnt. Dit kan bijvoorbeeld als er een nieuwe zaak ontstaan (zaaksvorming), zaken zodanig aan elkaar worden verbonden dat ze niet zonder beschadiging van elkaar kunnen worden losgemaakt (bestanddeelvorming en natrekking) of als zaken met elkaar vermengen (vermenging).

Dat een zekerheidsrecht niet altijd de verwachtte zekerheid biedt, illustreert de zaak die ten grondslag ligt aan het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015. In deze zaak stond vermenging centraal. Dit houdt in dat twee roerende zaken zodanig met elkaar vermengd raken dat de zaken niet meer uit elkaar kunnen worden gehaald. U kunt hierbij denken aan het bij elkaar gooien van twee soorten graan of vloeistoffen, of het oplossen van poeder in vloeistof. Er zijn voor de bepaling wie na vermenging eigenaar van de zaken is, twee mogelijkheden. Als na vermenging één van de zaken als hoofdzaak wordt aangemerkt, wordt de eigenaar van de hoofdzaak ook eigenaar van het geheel. Als er geen hoofdzaak aan te wijzen is, ontstaat er mede-eigendom.

Zeeland Aluminium Company N.V. (hierna: Zalco) hield zich bezig met de productie van aluminium en exploiteerde daartoe een aluminiumsmelterij, een aluminiumgieterij en een anodefabriek. De grond waarop de aluminiumsmelterij staat, is eigendom van Zeeland Seaports (hierna: ZSP). Glencore had een pandrecht verkregen op de voorraad aluminium.

Op 13 december 2011 wordt Zalco failliet verklaard. Ten tijde van deze faillietverklaring bevond zich aluminium in vloeibare toestand in de ovens van de aluminiumsmelterij. Enige dagen na het faillissement hebben de curatoren het productieproces bij Zalco stil laten leggen. Hierdoor is het vloeibare aluminium dat zich op dat moment in ovens bevond, gestold. Tussen Glencore (de pandhouder) en ZSP (de eigenaar van de grond waarop de aluminiumsmelterij stond) is een geschil ontstaan over de vraag of Glencore gerechtigd was als pandhouder over het gestolde aluminium te beschikken. Vast staat dat Glencore alleen een pandrecht heeft op het aluminium dat voor het faillissement van Zalco geproduceerd was. ZSP was van mening dat het vloeibare aluminium dat zich voor de faillietverklaring in de ovens bevond zich heeft vermengd met het na faillietverklaring nog geproduceerde aluminium. ZSP voerde aan dat als Glencore al geen pandrecht had op het vloeibare aluminium, zij ook geen pandrecht kan hebben op het gestolde aluminium.

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde dat het deel van het vloeibare aluminium waarop het pandrecht van Glencore rustte, na datum faillissement is vermengd met een aanzienlijk grotere hoeveelheid vloeibaar aluminium waarop geen pandrecht rustte. Het hof was van mening dat de aanzienlijk grotere hoeveelheid na faillissement geproduceerd aluminium als hoofdzaak moest worden aangemerkt. Aangezien de eigenaar van de hoofzaak ook eigenaar van de bestanddelen wordt, is de eigendom van het kleinere deel van het aluminium teniet gegaan. Omdat een pandrecht de zaak volgt waarop het is gevestigd, is ook het ten behoeve van Glencore gevestigde pandrecht teniet gegaan.

Glencore gaat in cassatie. Volgens de Hoge Raad heeft het hof niet inzichtelijk gemaakt van welke verhoudingen het is uitgegaan bij zijn oordeel dat het zich in de ovens bevindende aluminium is vermengd met een aanzienlijk grotere hoeveelheid na faillissement geproduceerd aluminium. Over het oordeel van het hof dat er in dit geval een hoofdzaak kan worden aangewezen, merkt de Hoge Raad het volgende op. Volgens artikel 5:14 lid 3 BW kan een hoofdzaak worden aangewezen indien de waarde van één van de zaken die van de andere zaak aanmerkelijk overtreft of indien één van de zaken volgens de verkeersopvatting als hoofdzaak kan worden beschouwd. “In een geval van vermenging van gelijksoortige zaken geeft de verkeersopvatting geen bruikbaar criterium, en is dus uitsluitend beslissend of één van de zaken de andere aanmerkelijk in waarde overtreft.” Volgens de Hoge Raad mag bij gelijksoortige zaken niet snel worden aangenomen dat het waardeverschil tussen deze zaken aanmerkelijk is. De Hoge Raad heeft de zaak naar een ander hof verwezen die de zaak opnieuw gaat beoordelen. Wordt dus vervolgd.


Vivian Dank is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bedrijven in moeilijkheden

Vermenging en pandrecht