icon

De WWZ en het overgangsprocesrecht

Het overgangsrecht van de WWZ is niet eenvoudig: het is soms een gepuzzel om bij opvolgende arbeidsovereenkomsten terug te rekenen en te bezien welke eerdere contracten wel en niet relevant zijn voor enerzijds de ketenregeling en anderzijds de berekening van de transitievergoeding (want: beiden kennen een ander “terugwerkregime”). Makkelijker lijkt het overgangsrecht met betrekking tot het procesrecht: een ontbindingsverzoek van op of na 1 juli wordt volgens het nieuwe recht behandeld, evenals procedures die zien op een opzegging op of na 1 juli. Of is het toch niet zo eenvoudig?

In de korte periode die sinds in de inwerkingtreding van de WWZ is verstreken zijn al drie uitspraken gepubliceerd over de ontbinding voor zover vereist: het ontbindingsverzoek dat de werkgever veelal indient na een ontslag op staande voet dat door de werknemer wordt aangevochten. Zo’n ontbindingsverzoek beperkt (als het wordt toegewezen uiteraard) de periode waarover loon verschuldigd is wanneer het ontslag op staande voet later sneuvelt. In de gepubliceerde uitspraken gaat het steeds om een situatie waarin het ontslag op staande voet vóór 1 juli 2015 is gegeven, en het ontbindingsverzoek na die datum is ingediend. In alle zaken werd de vraag opgeworpen of op die procedure nu het nieuwe recht van toepassing was (datum indiening verzoek), dan wel het oude (betreft opzegging van vóór 1 juli).

De verschillende rechters van de eerste twee uitspraken komen tot dezelfde conclusie: het nieuwe recht is van toepassing. Het is immers een ontbindingsverzoek, en regel één van het overgangsrecht is dat de datum van indiening daarvan bepalend is. Dat werd de indiener van het eerste verzoek fataal, nu het nieuwe recht een andere opzet van het ontbindingsverzoek vereist (er moet namelijk een specifieke ontslaggrond worden genoemd), en het verzoek daar niet aan voldeed; dat verzoek werd daarom afgewezen. Het tweede verzoek “overleefde” het nieuwe recht wel, en de arbeidsovereenkomst werd op de (nieuwe) grond van verwijtbaar handelen ontbonden.

De kantonrechter te Amsterdam kwam echter verleden week tot een andere uitspraak. Hij stelt dat nu het ontslag op staande voet (de opzegging) heeft plaatsgevonden vóór 1 juli 2015, alle daarop betrekking hebbende procedures volgens het oude recht behandeld worden. Waar de andere twee rechters stellen dat het ontbindingsverzoek voor zover vereist géén betrekking heeft op het ontslag op staande voet (de ontbinding wordt immers gevraagd voor het geval dat ontslag geen stand houdt, en staat dus los van het ontslag) stelt de Amsterdamse rechter dat het begrip “betrekking op” ruim moet worden uitgelegd, in de zin van “verband houden met”.

De uitspraak van de Amsterdamse kantonrechter is naar mijn mening om twee redenen onjuist: ten eerste omdat het overgangsrecht een specifieke bepaling kent over de ontbindingsprocedure (datum indiening is bepalend, niets anders) en ten tweede omdat het ontbindingsverzoek naar mijn oordeel geen procedure is die betrekking heeft op de eerdere opzegging. Interessante vraag is nu of de werkgever van deze beschikking in hoger beroep kan: als het oude recht van toepassing is kan dat niet, als het nieuwe recht van toepassing is kan dat wel. Dat is een vraag die het Hof zal moeten beantwoorden als de werkgever inderdaad appelleert. Mijn voorspelling is dat het Hof in dat geval zal oordelen dat hoger beroep wel mogelijk is. Als geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze uitspraak (of tegen een van de twee andere) zullen we het waarschijnlijk nooit weten – de situatie zal zich niet zo heel vaak meer voordoen.


Arco Siemons is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied arbeidsrecht

De WWZ en het overgangsprocesrecht