icon

Bewijslastverdeling bij een beroep op wederzijdse dwaling

Als een overeenkomst is gesloten onder invloed van ‘dwaling’, dan is deze vernietigbaar. Kort gezegd is er sprake van dwaling indien één of beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst een onjuiste voorstelling van zaken hadden en zij de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet hadden gesloten.

Een beroep op dwaling kan in vele situaties worden gedaan. Zo schreef mijn kantoorgenoot Geert Schnitzler eind vorig jaar een bijdrage over dwaling ten aanzien van de (on)mogelijkheden van een bestemmingsplan en schreef ik vorige maand over dwaling bij de koop van een woning doordat de servicekosten achteraf veel hoger bleken dan vooraf medegedeeld.

De wettelijke regeling over dwaling staat in artikel 228 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (art. 6:228 BW). Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie mogelijke oorzaken van dwaling: 1) Dwaling die te wijten is aan een onjuiste inlichting van de wederpartij, 2) Dwaling die te wijten is aan ongeoorloofd zwijgen van de wederpartij, en 3) Wederzijdse dwaling: beide partijen zijn van een onjuiste voorstelling van zaken uitgegaan.

Enkele dagen geleden heeft de Hoge Raad wederom een uitspraak over dwaling gedaan. In deze zaak gaat het over de afwikkeling van een echtscheiding. De man en de vrouw zijn in 1983 onder huwelijkse voorwaarden getrouwd. In de huwelijkse voorwaarden zijn afspraken vastgelegd over de verdeling van de pensioenen bij het uit elkaar gaan (namelijk geen verrekening van pensioenen). In 2000 scheiden partijen en laten zij – onder leiding van een advocaat en een mediator – een echtscheidingsconvenant opstellen waarin een pensioenafspraak wordt opgenomen die anders luidt dan de afspraak die destijds in de huwelijkse voorwaarden is opgenomen. In het echtscheidingsconvenant staat namelijk dat de pensioenen zullen worden verrekend conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: Wvps).

De vrouw stelt vervolgens een procedure in waarmee zij (onder meer) aanspraak maakt op het pensioen van de man. De man en vennootschap X (het bedrijf van de man) doen een beroep op wederzijdse dwaling en vorderen de vernietiging van de bepaling in het echtscheidingsconvenant over de pensioenverdeling. Volgens de man zou de mediator partijen bij het aangaan van de overeenkomst onjuist hebben voorgelicht door mede te delen dat pensioenverevening wettelijk verplicht was.

De rechtbank wijst de vordering van de vrouw af om een hier niet ter zake doende reden, en komt niet toe aan een beoordeling van het beroep van de man en de vennootschap op dwaling. In hoger beroep komt het hof daar wel aan toe: het hof oordeelt dat gesteld noch gebleken is dat de vrouw bij een juiste voorstelling van zaken had moeten begrijpen dat de man daardoor zou zijn afgehouden van het sluiten van de overeenkomst en verwerpt het beroep van de man op wederzijdse dwaling. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot dit zogeheten “kenbaarheidsvereiste” legt het hof dus bij de man.

De man en de vennootschap gaan in cassatie. Volgens hen heeft het hof miskend dat juist de vrouw had moeten stellen en bewijzen dat zij bij een juiste voorstelling van zaken niet had hoeven begrijpen dat de man daardoor zou zijn afgehouden van het sluiten van de overeenkomst. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot het kenbaarheidsvereiste ligt dus bij de vrouw, aldus de man.

De Hoge Raad overweegt hierover in rechtsoverweging 3.3.3:

“Op grond van de hoofdregel van art. 6:228 lid 1, aanhef en onder c, BW in verbinding met art. 150 Rv rust op de partij die zich ter vernietiging van een overeenkomst op wederzijdse dwaling beroept de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de vereisten dat de overeenkomst is tot stand gekomen onder invloed van dwaling, dat deze bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, en dat de wederpartij van dezelfde onjuiste veronderstelling is uitgegaan als de dwalende. Het is, mede blijkens het woord “tenzij” in de bepaling, vervolgens aan de wederpartij om bij wege van verweer tegen het dwalingsberoep te stellen en bij voldoende betwisting aannemelijk te maken dat zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden, met andere woorden, dat de relevantie van de dwaling ook bij een juiste voorstelling van zaken voor haar niet kenbaar zou zijn geweest.”

De klacht van de man slaagt dus. Door de stelplicht van het kenbaarheidsvereiste bij de man te leggen, heeft het hof de stelplicht bij een beroep op wederzijdse dwaling onjuist verdeeld, aldus de Hoge Raad. Kort gezegd ligt de stelplicht en bewijslast bij een beroep op wederzijdse dwaling tót het woord “tenzij” dus bij de dwalende, en na dat woord bij de wederpartij. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en verwijst de zaak terug naar het hof, zodat het beroep op dwaling opnieuw kan worden onderzocht.

Heeft u naar aanleiding van het bovenstaande vragen? Neem dan gerust contact op met één van onze gespecialiseerde advocaten.


Björn Mulder is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied contracten

Bewijslastverdeling bij een beroep op wederzijdse dwaling