icon

Onherroepelijke uitspraken in het bestuursrecht (2)

Eerder schreef ik al over de vraag of onherroepelijke uitspraken in het bestuursrecht ook écht onherroepelijk zijn. Dat is niet helemaal het geval. Onder bijzondere omstandigheden kan een onherroepelijke uitspraak worden herzien. Hoewel voor het indienen van een verzoek om herziening geen harde wettelijke termijn staat, hanteert de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) bij een verzoek om herziening als uitgangspunt dat het verzoek niet ‘onredelijk laat’ mag zijn ingediend. Dit uitgangspunt is ontleend aan artikel 6:12, vierde lid, van de Awb, waarin het beginsel tot uitdrukking is gebracht dat van een rechtsmiddel, indien het aanwenden daarvan niet aan een termijn is gebonden, niet onredelijk laat gebruik mag worden gemaakt (zie ook deze uitspraak van de Afdeling hierover).

Dat de Afdeling bij een verzoek om herziening, ondanks het ontbreken van een wettelijk voorschrift, het ‘onredelijk laat-criterium’ hanteert, is niet onbegrijpelijk en heeft te maken met de behoefte aan zekerheid bij belanghebbenden en bestuursorganen over de rechtskracht van een besluit. Anders gezegd hebben belanghebbenden er baat bij om te weten of een besluit nou wel of niet definitief stand houdt.

Het belang van de rechtseenheid is er ook mee gediend dat alle (hoogste) bestuursrechters aan het “onredelijk laat”-criterium dezelfde invulling geven. Daarom is bepaald dat bij verzoeken om herziening het ‘onredelijk laat-criterium’ zal worden gehanteerd, waarbij bij de invulling van dit criterium in de regel wordt uitgegaan van een termijn van één jaar (zie o.a. deze uitspraak van de Afdeling van vorig jaar). Op deze regel kan in sommige gevallen een uitzondering worden gemaakt, bijvoorbeeld wanneer het hanteren van een termijn van een jaar gelet op het belang van de rechtszekerheid van andere belanghebbenden en bestuursorganen te lang zou zijn. In dergelijke (uitzonderlijke) gevallen geldt een termijn van drie maal zes weken.

In een recente zaak werd de Afdeling verzocht zijn eerder gedane uitspraak, waarin de Afdeling het hoger beroep van appellante ongegrond had verklaard, te herzien. Het herzieningsverzoek, waarin inderdaad verschillende ‘nova’ werden gesteld (zie dit blog van mijn collega mw. Knijff voor een nadere uitleg over het begrip nova), werd op 5 augustus 2015 ingediend. De aangevoerde nova betroffen onder meer besluiten van 28 juli 2015 van het college van burgemeester en wethouders tot oplegging van verschillende lasten onder dwangsom.

In de herzieningsprocedure stelt het college dat het verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het onredelijk laat is ingediend. Het college is van mening dat de termijn moet worden bepaald op basis van de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening is verzocht, waarbij tevens moet worden uitgegaan van een termijn van drie maal zes weken na de datum van openbaarmaking van de uitspraak, aldus het college.

De Afdeling overweegt hierover dat het verzoek om herziening op 5 augustus 2015 is ingediend en dat in het verzoek verschillende nova zijn gesteld zoals de besluiten van 28 juli 2015 van het college van burgemeester en wethouders. Het verzoek is derhalve binnen anderhalve week na het bekend worden van verzoeker met de gestelde nova ingediend. Het verzoek is daarmee zowel binnen een termijn van een jaar na de uitspraak, als binnen een termijn van drie maal zes weken na het bekend worden van verzoeker met de door hen gestelde nova ingediend, aldus de Afdeling. De Afdeling ziet daarom geen reden om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren en gaat over tot de inhoudelijke beoordeling.

Heeft u naar aanleiding van het bovenstaande vragen? Neem dan gerust contact op met één van onze gespecialiseerde advocaten.


Björn Mulder is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bestuursrecht

Onherroepelijke uitspraken in het bestuursrecht (2)