icon

Onjuiste verklaring in pandakte leidt tot interne bestuurdersaansprakelijkheid

Het is gebruikelijk dat banken die ondernemingen financieren, daarvoor zekerheid verlangen. Dat kan in verschillende vormen. Een veel voorkomende vorm is pandrecht op de bedrijfsinventaris van de kredietnemer. Omdat een eerste pandrecht ook het eerste recht geeft op de opbrengst in geval de inventaris moet worden verkocht, zijn banken in de meeste gevallen alleen bereid te financieren als zij een eerste pandrecht verkrijgen. In de akte waarbij het pandrecht wordt gevestigd, verklaart de kredietnemer dan ook meestal dat het verstrekte pandrecht eerste in rang is. Ingeval de kredietnemer een vennootschap is, zal de bestuurder van die vennootschap de pandakte (en daarmee dus die verklaring) namens de vennootschap ondertekenen.

Recentelijk moest de Hoge Raad oordelen over een situatie waarin een bestuurder A van een kredietnemende vennootschap X in een pandakte aan ABN AMRO had verklaard dat ABN AMRO een eerste pandrecht verkreeg. Drie jaar later bleek echter dat op de bedrijfsinventaris een ouder pandrecht rustte, dat was gevestigd ten gunste van een andere vennootschap waarvan dezelfde A bestuurder was. De verklaring in de pandakte aan ABN AMRO was dus in strijd met de waarheid geweest. Toen ABN AMRO hierachter kwam, heeft zij de financiering van X ondergebracht bij haar afdeling Bijzonder Beheer. X (inmiddels niet meer vertegenwoordigd door bestuurder A, maar door een nieuwe bestuurder) stelde vervolgens dat zij daardoor schade had geleden en stelde A daarvoor aansprakelijk. Zij meende dat A haar onbehoorlijk had bestuurd.

A verweerde zich met verschillende stellingen. Toen de zaak bij de Hoge Raad aanbelandde, was de belangrijkste stelling van A dat hij bij het tekenen namens X van de onjuiste verklaring in de pandakte niet had kunnen vermoeden dat het gevolg daarvan uiteindelijk zou zijn dat X zou worden ondergebracht bij de afdeling Bijzonder Beheer van ABN AMRO. Dat kon A echter niet baten en de Hoge Raad verwierp zijn cassatieberoep. Omdat de Hoge Raad dat niet heeft gemotiveerd, is interessant om te bezien wat de advocaat-generaal bij de Hoge Raad van de zaak vindt. Die geeft een zeer toegankelijke opsomming van de stand van de jurisprudentie rond bestuurdersaansprakelijkheid en komt vervolgens toe aan bespreking van de onderhavige zaak.

De advocaat-generaal stelt voorop dat het hier gaat om interne aansprakelijkheid (tussen de vennootschap en haar bestuurder) voor de gevolgen van het afgeven van een verklaring aan de kredietverstrekker over de zekerheidspositie die op dat moment in strijd was met de waarheid. De interne aansprakelijkheid is gebaseerd op artikel 2:9 BW, dat een norm inhoudt voor het handelen van de bestuurder bij de vervulling van de aan hem opgedragen taak en dat dus direct berust op een rechtsbetrekking tussen vennootschap en bestuurder.

Anders dan A , is de advocaat-generaal van mening dat ‘voorzienbaarheid van schade’ geen vereiste is voor interne aansprakelijkheid. Daar komt nog bij dat het afleggen van een verklaring aan een kredietverstrekker over de zekerheidspositie die in strijd is met de waarheid, volgens de advocaat-generaal een verwijt oplevert dat potentieel zelfs ernstiger is dan de verwijten die bestuurders kunnen worden gemaakt die extern aansprakelijk zijn, bijvoorbeeld omdat voor hen voorzienbaar was dat de vennootschap een overeenkomst niet zou kunnen nakomen.

Hoe groot de schade voor X in dit geval is, blijkt niet uit de gepubliceerde uitspraken, maar A zal die in elk geval aan X moeten vergoeden.


Peter Bos is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bestuurdersaansprakelijkheid

Onjuiste verklaring in pandakte leidt tot interne bestuurdersaansprakelijkheid