icon

Arbitragebeding: uitleg overgangsrecht

Eerder schreven wij op deze blog over de positie van het arbitraal beding in verband met de modernisering van het arbitragerecht. De Wet in verband met de modernisering van het Arbitragerecht (hierna: de wet) is relevant voor de bouw- en vastgoedpraktijk waar vaak gekozen wordt voor arbitrage als alternatief voor een procedure bij de ‘gewone' rechter.

In een recent arrest van het gerechtshof Amsterdam worden enkele artikelen van de wet nader uitgelegd. De zaak is illustratief voor de complexiteit van de overgang naar nieuw recht.

Het hof moest zich buigen over een geding tussen de Staat der Nederlanden en aannemer X. Tussen partijen is in 2010 een aannemingsovereenkomst gesloten waarop algemene bepalingen met een arbitragebeding van toepassing waren. Afgesproken is dat alle geschillen die tussen partijen ontstaan beslecht worden door de Raad van Arbitrage voor de Bouw (RvA).

Met het arbitragebeding in de hand is X een arbitrageprocedure gestart bij de RvA welke heeft geleid tot een arbitraal vonnis begin 2015 en een paar maanden later in hoger beroep tot een gedeeltelijk eindvonnis. Klaarblijkelijk was de Staat het met de uitspraak van de RvA niet eens en is vervolgens een vernietigingsprocedure begonnen bij het Hof van Amsterdam. Wanneer partijen arbitrage overeenkomen zijn, zij in principe afstand doen van hun recht om het geschil voor te leggen bij een ‘normale’ rechter. In art. 1065 Rv wordt een limitatieve opsomming gegeven van gronden die tot vernietiging van het arbitrale vonnis kunnen leiden. Dit wordt door de rechter marginaal getoetst.

Erg ver is de Staat niet gekomen in haar vernietigingsprocedure; X beroept zich namelijk op de onbevoegdheid van het Hof en stelt dat de Rechtbank van Amsterdam de aangewezen instantie is om van het geschil kennis te nemen. Bij de behandeling van dit zogenoemde incident heeft het Hof zich gebogen over de vraag wat de gevolgen zijn van de Wet in verband met de modernisering van het Arbitragerecht met het oog op de bevoegdheid van het Hof.

In essentie draait het geschil om art. IV van bovengenoemde wet waarbij X zich beroept op lid 1: de wet is van toepassing op arbitrages die aanhangig zijn geworden op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet en dus is de Rechtbank van Amsterdam op grond van 1064 RV exclusief bevoegd. De Staat beroept zich op het tweede lid en stelt dat op arbitrages die aanhangig zijn of waren voor de datum van inwerkingtreding van de wet, het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing blijft , zoals dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet gold waardoor op grond van art. 1064a lid 1 Rv het gerechtshof Amsterdam bevoegd is.

Partijen verschillen van mening over de vraag of een arbitrage in de zin van art IV van de wet niet alleen de procedure in eerste aanleg maar ook die in hoger beroep omvat. Het Hof concludeert, gebaseerd op de memorie van toelichting bij de wet, dat het de bedoeling van de wetgever is geweest te waarborgen dat tijdens een arbitrale rechtsgang niet tegelijk oud en nieuw arbitragerecht van toepassing is. Wanneer wordt meegaan in de argumentatie van de Staat is in bij de ene instantie het oude en bij de andere het nieuwe arbitragerecht van toepassing. De Staat wordt dus gecorrigeerd in de keuze de procedure aanhangig te maken bij het Hof van Amsterdam. De zaak wordt wel verwezen naar de rechtbank Amsterdam, zodat inhoudelijk behandeling toch nog zal volgen.

Janneke Sinnige heeft bovenstaande blog samen met Douwe Cnossen geschreven. Douwe is masterstudent Privaatrecht aan de UvA en op dit moment aan Wieringa verbonden als student-stagiaire.

Heeft u vragen?

This field is for validation purposes and should be left unchanged.
Arbitragebeding: uitleg overgangsrecht