icon

Hoge Raad keurt verkoop LaSalle door ABN Amro goed

Om 10 uur vanochtend heeft de Hoge Raad haar langverwachte uitspraak gedaan in de LaSalle-kwestie, en daarbij het bestuur van de ABN Amro Bank in het gelijk gesteld.

Nog even kort waar het over ging:
ABN verkocht haar dochtervennootschap LaSalle aan de Bank of America, zonder daarvoor de goedkeuring van haar aandeelhouders te vragen. De verkoop vond plaats op het moment dat er exclusieve onderhandelingen werden gevoerd met Barclays over een fusie. Bovendien had het consortium van de Royal Bank of Scotland, Santander en Fortis op dat moment ook een overnamebod aangekondigd. Het bestuur van de ABN heeft echter de voorkeur voor een fusie met Barclays, en enige aandeelhouders (verenigd in de VEB) waren van mening dat de verkoop van LaSalle een truc was om een bod van het consortium te frustreren. Zij verzochten daarom de Ondernemingskamer van het Hof in Amsterdam om zogenaamde “voorzieningen” te treffen. Eén van de verzochte voorzieningen hield in dat het bestuur van de ABN alsnog goedkeuring voor de LaSalle-transactie moest vragen van haar aandeelhouders.

De Ondernemingskamer heeft op 3 mei 2007 de gevraagde voorziening toegewezen. Volgens de Ondernemingskamer kan de verkoop van LaSalle niet los gezien worden van “het in de etalage zetten” van ABN. Hierdoor is de verkoop van LaSalle niet “zomaar” een verkoop, maar eisen de redelijkheid en billijkheid dat de aandeelhouders zich hierover uitspreken. Door deze uitspraak werd de verkoop van LaSalle opgeschort – hetgeen direct leidde tot een procedure van Bank of America tegen de ABN in New York.

De ABN stelde cassatie in tegen dit oordeel van de Ondernemingskamer. Vorige week werd de conclusie van Advocaat-Generaal Timmerman bekendgemaakt, die van mening is dat de ABN LaSalle op legitieme wijze heeft verkocht. En vandaag is gebleken dat de Hoge Raad deze mening deelt.

Volgens de Hoge Raad kunnen de overnameperikelen waarin de ABN zèlf verkeert, er niet toe leiden dat de regels rond de verkoop van een dochtervennootschap aangepast moeten worden. Het is aan het bestuur van de ABN om te beoordelen op welke wijze het belang van de onderneming zo goed mogelijk gediend wordt. En het is uitdrukkelijk niet aan de aandeelhouders, die vooral belang hebben bij een zo hoog mogelijke prijs voor hun aandelen ingeval van een overname van de ABN. De Hoge Raad stelt dat in de wet en de “in Nederland levende rechtsovertuigingen” geen aanknopingspunten te vinden zijn voor een afwijkend oordeel. Met andere woorden: de Hoge Raad stelt zich op het standpunt dat de invloed van de aandeelhouders aan grenzen gebonden is, en dat het besturen van een onderneming toch echt aan het bestuur overgelaten moet worden.

Tot slot stelde de Hoge Raad dat er sprake was van een definitieve koopovereenkomst van LaSalle, en dat daardoor ook rekening gehouden moet worden met de belangen van Bank of America en Barclays. Volgens de Hoge Raad mag over de uitvoering van deze bevoegd gesloten overeenkomst geen onzekerheid bestaan, zodat het terugdraaien van de koop geen optie is.

Met dit arrest is (waarschijnlijk) een einde gekomen aan de LaSalle-discussie. Maar de VEB is nog niet klaar. Bij de Ondernemingskamer loopt nu nog een verzoek van de VEB om onderzoek te doen naar het beleid van de ABN vanaf 1 januari 2006.


Maja Bolè is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied vennootschapsrecht

Hoge Raad keurt verkoop LaSalle door ABN Amro goed