icon

Goodwillvergoeding bij einde huurovereenkomst

In artikel 7:308 BW is een vergoeding van goodwill geregeld, bij beëindiging van de huur van de 290-bedrijfsruimte (winkelruimte). Dat artikel bepaalt dat, indien de verhuurder van 290-bedrijfsruimte voordeel geniet als die ruimte na beëindiging van de huur wordt gebruikt voor een gelijksoortig bedrijf, de (onder)huurder (jegens de verhuurder) aanspraak kan maken op een naar billijkheid te berekenen vergoeding.

Deze vordering van de huurder is gebaseerd op de idee van de ongerechtvaardigde verrijking. Die verrijking ligt besloten in het voordeel dat de verhuurder uitsluitend geniet doordat hij kan profiteren van de door zijn ex-huurder (of bevoegde onderhuurder) opgebouwde goodwill.

Voor een succesvol beroep op artikel 7:308 BW is het nodig dat de verhuurder daadwerkelijk profiteert van die opgebouwde goodwill. Dit voordeel van de verhuurder kan verschillende vormen aannemen. Zo is te denken aan het gunstiger kunnen verhuren van de bedrijfsruimte omdat de vorige huurder een succesvolle onderneming in die bedrijfsruimte exploiteerde. Daarnaast is te denken aan de geringere aanloopkosten die door de verhuurder moeten worden gemaakt omdat een klantenkring reeds bestaat.

Voor het geval u nu denkt dat aan een huurder dus standaard een vergoeding wordt toegekend – omdat zijn huurovereenkomst is opgezegd en het een goedlopende zaak was – dan komt u van een ‘koude kermis’ thuis. De feitelijke bewijslast is niet gering en de cijfermatige weergave van het voordeel is complex. Wat is immers het voordeel? Daarnaast kan de vergoeding niet (meer) worden toegekend nadat sinds het einde van de huurovereenkomst meer dan een jaar is verstreken. Reeds vanwege dit laatste krijgen vele huurders nul op rekest.


Michel Visser is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied huurrecht

Goodwillvergoeding bij einde huurovereenkomst