icon

Loonmatiging bij een onterecht ontslag op staande voet

Wanneer een gegeven ontslag in rechte wordt vernietigd heeft de werknemer recht op zijn loon over de inmiddels sinds het ontslag verstreken periode. Doordat procedures nogal eens lang kunnen duren, kan die periode aanzienlijk zijn; jaren soms. Onder omstandigheden kan de rechter het onaanvaardbaar vinden dat de werknemer die immers al die tijd niet heeft gewerkt zijn volledige loon krijgt; de rechter kan de loonvordering dan matigen. Dit is een ambtshalve bevoegdheid van de rechter. In het volgende geval maakt de rechter gebruik van deze bevoegdheid. (Ik heb de uitspraak nog niet online kunnen vinden, hij is gepubliceerd in JAR 2008/16)

Een werknemer, in dienst sinds 1989, wordt op 7 mei 2002 op staande voet ontslagen, waarop hij de vernietigbaarheid van het ontslag inroept en zich bereid verklaard de bedongen arbeid te verrichten. In de procedure bij de kantonrechter wordt het ontslag inderdaad vernietigd. De kantonrechter acht geen redenen aanwezig om tot matiging van de loonvordering en de wettelijke verhoging over dat loon over te gaan en wijst deze dan ook in zijn geheel toe.

In hoger beroep oordeelt het hof allereerst dat het ontslag op staande voet terecht is vernietigd. Nu de arbeidsovereenkomst doorliep en de werknemer zich beschikbaar hield voor zijn werkzaamheden is ook de loonvordering, verhoogd met de wettelijke rente, terecht toegewezen. De vordering wordt toegewezen tot 10 januari 2005, omdat tijdens de procedure duidelijk wordt dat de werknemer per die datum zijn werkzaamheden bij dezelfde werkgever zal hervatten.

De loonvordering en wettelijke verhoging worden door het hof echter met resp. 50% en 40% gematigd. Hiertoe stelt zij dat er niet aan voorbij kan worden gegaan dat de werknemer tegenover het loon zijn werkzaamheden niet heeft verricht. Daardoor was hij dus in staat om gedurende bepaalde delen van de periode tussen het ontslag op staande voet en hervatting van zijn werkzaamheden inkomen uit arbeid te verwerven, of in elk geval zich enige moeite te betrachten ander vervangend inkomen te genereren. En dat heeft de werknemer niet, althans niet voldoende, geprobeerd.

Het lijkt wat raar dat de ten onrechte ontslagen werknemer wordt tegengeworpen dat hij zich onvoldoende zou hebben ingespannen om ander werk te vinden – hij was toch zeker nog gewoon in dienst bij zijn werkgever? En moet hij zich niet beschikbaar houden voor zijn eigen werk om aanspraak op zijn loon te blijven houden? Deze matigingsbevoegdheid is evenwel al geruime tijd in de wet opgenomen, en was daarvóór al, in 1979, door de Hoge Raad in het leven geroepen. Dat het onvoldoende plegen van inspanningen om elders inkomsten te verdienen een grond voor matiging is is al in 2001 door de Hoge Raad bevestigd. Het wordt gezien als een uitvloeisel van de algemene verplichting om de schade die je lijdt zoveel als mogelijk te beperken. Iets om rekening mee te houden dus; werknemers kunnen niet achterover leunen en zich rijk rekenen, werkgevers doen er in dit soort gevallen verstandig aan de rechter aan zijn matigingsbevoegdheid te herinneren. Dit is dan wel een ambthalve bevoegdheid, de rechter dient bij zijn beoordeling of sprake is van een in onaanvaardbare mate oplopende loonvordering “alle bijzonderheden van het geval in hun onderlinge samenhang” mee te nemen, en het is dan verstandig deze onder zijn aandacht te brengen.


Kissiwah Mireku is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied arbeidsrecht

Loonmatiging bij een onterecht ontslag op staande voet