icon

Hogere staalprijzen: wie betaalt de rekening ?

Stel u bent een aannemingsovereenkomst aangegaan ten behoeve van de bouw van een nieuw bedrijfspand, voor een vast bedrag. Vervolgens stijgen de prijzen voor staal explosief. Het werk zal door de extreme stijging veel duurder uitkomen.

De vraag is nu voor wiens rekening deze prijsstijging is. Voor de opdrachtgever of voor de (onder)aannemer? Overigens komen prijsstijgingen niet alleen voor bij staal, maar ook bij andere bouwmaterialen, zoals beton.

Vanzelfsprekend zal de (onder)aannemer de hogere prijzen in rekening willen brengen.

In de meeste gevallen worden er algemene voorwaarden op een aannemingsovereenkomst van toepassing verklaard. De Uniforme Administratieve Voorwaarden 1989 (UAV 1989) is daarvan weer de meest gebruikelijke en deze biedt de aannemer in paragraaf 47 UAV de mogelijkheid om tot prijsaanpassing te komen. Hieraan worden echter wel eisen gesteld.

Ten eerste moet het gaan om een kostenverhogende omstandigheid die van dien aard is dat de aannemer bij het tot stand komen van de overeenkomst daarmee geen rekening behoefde te houden.

Ten tweede mag deze omstandigheid niet aan de aannemer toegerekend kunnen worden op grond van de overeenkomst, de wet of op grond van de in het verkeer geldende opvattingen.

Ten derde is deze mogelijkheid tot prijsaanpassing er slechts als er sprake is van een “aanzienlijke” verhoging van de kosten van het werk. Dit criterium is voor meerdere uitleg vatbaar, waardoor de jurisprudentie nogal casuïstisch is. Daarbij speelt naast het percentage van de verhoging van de kosten, vooral een rol welk gedeelte van de stijging tot het ondernemingsrisico van de aannemer behoort.

Voor dit recht op bijbetaling moet de aannemer wel de opdrachtgever zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte brengen van het intreden van de kostenverhodende omstandigheden. Vervolgens is de opdrachtgever gehouden om op korte termijn in overleg te treden met de aannemer over de prijs van het werk dan wel het vereenvoudigen en/of beëindigen van het werk als de opdrachtgever niet bereid is om bij te betalen.

Als er geen algemene voorwaarden zijn overeengekomen, geldt artikel 7:753 BW. Een belangrijk verschil met de UAV 1989 is dat de wet niet het vereiste stelt dat de omstandigheden de kosten van het werk “aanzienlijk” verhogen.

De lijn in de jurisprudentie van de Raad van Arbitrage komt erop neer dat de hoogte van het hierboven genoemde ondernemingsrisico afhankelijk wordt gesteld van drie factoren:
1) de mate waarin de staalprijzen in de afgelopen periode zijn gestegen;
2) de vraag of er signalen voor het aangaan van de overeenkomst zijn geweest dat de prijs zou gaan stijgen;
3) de mate van kennis van de onderaannemer van de markt.

Het ondernemingsrisico bestaat dus niet uit een vast percentage. In 2004/2005 hebben arbiters vastgesteld dat het ondernemingsrisico 10% is voor een onderaannemer/aannemer die een reguliere staalvlechter is. In aan andere zaak, uit 2006, werd het percentage voor de (onder)aannemer echter verhoogd tot 20%, omdat deze handelde in staal en dus een professionele partij was met specialistisch kennis van de markt.


Stephanie Mekking is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bouwrecht

Hogere staalprijzen: wie betaalt de rekening ?