icon

De 30% regeling en ontslagvergoeding

De 30% regeling (ik schreef er al eerder over) houdt voor werknemers die uit het buitenland zijn aangetrokken in, dat onder bepaalde voorwaarden hun werkgever 30% van het brutoloon belastingvrij kan vergoeden. De regeling is neergelegd in de Wet op de Loonbelasting 1964 (Wet LB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.

Het Uitvoeringsbesluit bepaalt dat voor de grondslag voor de berekening van de 30% regeling uitsluitend wordt gekeken naar het “loon uit tegenwoordige dienstbetrekking”. Dit is het loon dat de werknemer geniet tijdens de dienstbetrekking waarin hij in de regel arbeid verricht. Hieronder valt dus niet slechts het periodieke loon, maar ook bijvoorbeeld het vakantiegeld, de vakantietoeslag, de dertiende maand etc. Al deze posten kunnen derhalve vallen onder de 30% regeling.

Kan op een ontslagvergoeding ook de fiscaal gunstige 30% regeling worden toegepast?

Voor de beantwoording van deze vraag moet eerst worden bezien of de ontslagvergoeding “loon uit tegenwoordige dienstbetrekking” is. Uitsluitend dit loon kan immers vallen onder de 30% regeling. Krachtens de Wet LB zelf behoort een ontslagvergoeding tot “loon uit vroegere dienstbetrekking”. De ontslagvergoeding vindt namelijk haar oorzaak in de voorheen verrichtte arbeid. Gelet hierop geldt de 30% regeling dus niet voor ontslagvergoedingen.

Vorig jaar heeft ook de Hoge Raad zich over dit onderwerp gebogen. Blijkens dat arrest stelde de betreffende ex-werknemer dat de ontslagvergoeding wel degelijk onder de 30% vrijstelling moest vallen. De ex-werknemer stelde zich daarbij kort gezegd op het standpunt dat het Uitvoeringsbesluit onverbindend diende te worden verklaard, omdat dit ten onrechte slechts het “loon uit tegenwoordige dienstbetrekking” tot uitgangspunt neemt. De Wet LB zelf spreekt, daar waar het de 30 % regeling regelt, eenvoudigweg van 30% van “het loon” en bepaalt voorts dat loon al hetgeen is dat uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.

Volgens de ex-werknemer in dit geschil zou de Wet LB slechts de bevoegdheid geven om in het Uitvoeringsbesluit nadere regels te stellen over het aanwijzen van bepaalde groepen werknemers voor wie de regeling zou moeten gelden (wat ook gebeurt in het Uitvoeringsbesluit) en niet om een deel van het loon uit te sluiten.

Het Hof had de ex-werknemer gelijk gegeven, en bepaalde dat het Uitvoeringsbesluit verder gaat dan eigenlijk zou mogen en dat het Uitvoeringsbesluit derhalve onverbindend moet worden verklaard. Deze uitspraak van het Hof betekende dat dit deel van het Uitvoeringsbesluit niet gold en dat derhalve met terugwerkende kracht gebruik zou kunnen worden gemaakt van de 30% regeling bij ontslagvergoedingen.

De Minister van Financiën ging (uiteraard) direct in cassatie tegen deze uitspraak met verstrekkende gevolgen. De Hoge Raad casseert de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad baseert zich hierbij op de wetsgeschiedenis van de betreffende artikelen en komt tot de conclusie dat het Uitvoeringsbesluit conform de bedoeling van de wetgever en de Wet LB is vastgesteld. Géén 30% regeling voor ontslagvergoedingen dus.

Overigens, uit het arrest valt wel af te leiden dat dat deel van de ontslagvergoeding dat ziet op in het verleden verrichtte arbeid – zoals vakantiegeld, vakantiedagen en opgebouwde bonussen – wél weer vallen onder de 30% regeling. Voor partijen is het dus óók in het kader van de 30% regeling zaak de ontslagvergoeding goed uit te splitsen en de verschillende posten te benoemen.


Kissiwah Mireku is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied arbeidsrecht

De 30% regeling en ontslagvergoeding