icon

Coffeeshop mag blijven bankieren

Volgens artikel 3:10 lid 1 van de Wet op het Financieel toezicht (“Wft”) dienen kredietinstellingen en verzekeraars een adequaat beleid te voeren dat een integere uitoefening van hun bedrijf waarborgt. Een Rabobank uit Eindhoven dacht onder andere met deze bepaling in de hand eenvoudig de bankrelatie met een coffeeshop te kunnen opzeggen. De Rabobank interpreteerde de bepaling op zodanige wijze dat zij stelde (wettelijk) gehouden te zijn de relatie met haar rekeninghouders te beëindigen, indien die relatie een voor haar onaanvaardbaar risico oplevert als het gaat om haar integriteit dan wel haar reputatie. De Rabobank was van mening dat de coffeeshop zo'n risico met zich bracht.
De coffeeshophouder was het uiteraard niet eens met de beslissing van de Rabobank en spoedde zich naar de voorzieningenrechter te 's-Hertogenbosch om continuering van de bankrelatie te vorderen.

De voorzieningenrechter stelde allereerst vast dat de Rabobank in beginsel bevoegd is de relatie op te zeggen. Zij moet daarvoor wel een (goede) reden hebben. De bevoegdheid om de relatie op te zeggen dient naar redelijkheid en billijkheid te worden uitgeoefend.

De Rabobank stelde dat de grond voor de opzegging was gelegen in aangescherpt beleid van de bank. Dit beleid kwam erop neer dat de bank relaties kon opzeggen indien de rekeninghouder betrokken was bij de exploitatie van een coffeeshop. Deze betrokkenheid zou voor de bank een aantasting van integriteit en reputatie zijn. Het is volgens de bank algemeen bekend dat er in de wereld van coffeeshops grotere integriteitrisico's kunnen optreden dan bij andere ondernemingen. Het beleid van de bank was onder andere gebaseerd op de genoemde bepaling uit de Wft en de daarmee samenhangende Customer Due Diligence (CDD) regeling van de bank.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de regelingen waarop de Rabobank zich beriep de bank niet ontslaat om onderzoek te doen of bedoelde risico's in het onderhavige geval ook daadwerkelijk aanwezig zijn. De voorzieningenrechter stelde vast dat de bank daar geen onderzoek naar had gedaan, maar zich enkel baseerde op het feit dat een bankrelatie met een coffeeshop in zijn algemeenheid risico's voor de bank kan opleveren. De voorzieningenrechter overwoog voorts dat nu de verkoop van softdrugs via coffeeshops is gedoogd door de overheid en de coffeeshophouder een vergunning is verleend, en deze zich aan de daaraan verbonden voorwaarden heeft gehouden, niet kan worden aangenomen dat voor de Rabobank onaanvaardbare risico's kleven aan het instandhouden van de bankrelatie. De aangedragen gronden van de Rabobank kunnen de opzegging van de bankrelatie met de coffeeshophouder daarom niet dragen. Daarnaast heeft de coffeeshophouder een zwaarwegend belang bij de continuering van de bankrelatie. Het is immers bijna onmogelijk om zaken te doen als ondernemer indien men geen beschikking heeft over betaaldiensten. De Rabobank ging tegen deze beslissing in hoger beroep bij het Gerechtshof in 's-Hertogenbosch. Het hof bekrachtigde echter het vonnis van de voorzieningenrechter.

De beslissing van het hof lijkt een redelijke oplossing, alhoewel het natuurlijk wel veel extra werk voor de banken oplevert als zij eerst onderzoek moeten doen naar de mogelijke risico's van reputatieschade.


Tristan Vos is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied handel- en ondernemingsrecht

Coffeeshop mag blijven bankieren