icon

Huurder belanghebbende bij splitsingsvergunning?

Het komt regelmatig voor dat de eigenaar van een pand zijn pand wenst te splitsen in appartementsrechten, maar vervolgens tegen een huurder aanloopt die zich hiertegen wil verzetten. Als voor het splitsen een vergunning nodig is, komt de vraag aan de orde of de huurder daarbij belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 Awb.

De eigenaar heeft voor het splitsen van zijn pand in appartementen een vergunning nodig in die gevallen waarin een gemeente dat heeft bepaald. Zo hangt in Amsterdam de beantwoording van de vraag of een splitsingsvergunning is vereist hoofdzakelijk af van de ligging en het bouwjaar van het pand.

Om tegen een dergelijke splitsingsvergunning op te komen, kan men bezwaar maken bij het bestuursorgaan, eventueel gevolgd door beroep bij de bestuursrechter. Hiervoor is vereist dat men als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb kan worden aangemerkt. De huurder zal daarom moeten kunnen aantonen dat hij in zijn belangen wordt geraakt door de verlening van een splitsingsvergunning. Maar hoe dient dit te worden vastgesteld?

Uit de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (De Afdeling) valt inmiddels een bestendige lijn te ontdekken, die erop neerkomt dat voor de beoordeling van de vraag of een huurder belanghebbende is in de zin van art. 1:2 Awb bepalend is in hoeverre de splitsingsvergunning van invloed is op zijn woonsituatie. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat een splitsingsvergunning slechts voorziet in publiekrechtelijke toestemming om de eigendom van het pand om te zetten in appartementsrechten.

In een recente uitspraak van de Afdeling van 13 juli jl. doet deze kwestie zich voor, waarbij appellante zich op het standpunt stelt dat zij als huurder wel degelijk als belanghebbende dient te worden aangemerkt. Zij stelt daarbij dat de splitsingsvergunning is verleend voor een pand in de vrije sector, terwijl haar woning op grond van de puntentelling niet in de vrije sector valt. Appellante betoogt dat zij door de verleende vergunning nu een woning in de vrije sector huurt, waardoor haar woonsituatie is veranderd en (mogelijk) een hogere huurprijs gevraagd zou kunnen worden.

De Afdeling overweegt echter dat de splitsingsvergunning niet bepalend is voor het antwoord op de vraag of de woning als een woning in de vrije sector kan worden aangemerkt. Of een woning als woning in de vrije sector kan worden aangemerkt, hangt niet af van de verlening van de splitsingsvergunning. De vergunning voorziet slechts in publiekrechtelijke toestemming om de eigendom van het pand om te zetten in appartementsrechten.

Het is niet de splitsingsvergunning die ertoe geleid heeft dat de woning als vrije sector woning wordt aangemerkt, althans niet direct. Indirect zou de splitsingsvergunning overigens wel gevolgen kunnen hebben voor de puntenwaarde van de woning, aangezien in het splitsingsbeleid in Amsterdam diverse bouwkundige vereisten als voorwaarde worden gesteld voor een splitsingsvergunning. De verbeteringen die nodig kunnen zijn om een splitsingsvergunning te verkrijgen, kunnen naar mijn mening echter ook los van een splitsingsvergunning worden doorgevoerd. Als appellante meent dat haar woning ten onrechte als woning in de vrije sector is aangemerkt, dan had zij binnen zes maanden na het aangaan van de huurovereenkomst dit bezwaar bij de huurcommissie kunnen voorleggen.

Aangezien de woonsituatie van appellante niet direct als gevolg van de splitsingsvergunning is veranderd, kan zij niet als belanghebbende worden aangemerkt en is haar bezwaar naar mijn mening terecht niet-ontvankelijk verklaard.


Yordy Soffner is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied bestuursrecht

Huurder belanghebbende bij splitsingsvergunning?