icon

Nijntje mag een lijntje

“Nijntje is al 3 dagen waker [sic].
Ze zit lekker op de pep.
“Pep is slecht”, zegt mammie.
“niet met me fokken,”
roept nijntje
“ik sta super strak”

Zo begint de tekst bij één van de plaatjes die op een door Punt.nl gehoste website is geplaatst. Het plaatje toont de bekende Nijntje figuur, maar dan met wel héél grote pupillen, gezeten achter een tafel waarop o.a. een scheermesje en een poederige substantie kunnen worden onderscheiden. Dit plaatje-met-tekst en enkele andere (niet in de laatste plaats de bekende nijn-eleven afbeelding) waren lange tijd zeer populair, vooral onder jongeren.

Dit zeer tegen de zin van Nijntjes geestelijke vader Dick Bruna. Die spande (samen met zijn onderneming) in 2009 een kort geding aan tegen webhost Punt.nl B.V., wier abonnees een aantal van deze afbeeldingen op hun site of blog hadden geplaatst. Hij beriep zich daarbij op auteursrecht, persoonlijkheidsrecht en merkrecht (Nijntje is ook als beeldmerk geregistreerd – voorbeeld). De webhost voerde als belangrijkste verweer de parodie-exceptie. Dat vond gehoor bij de rechter, althans voor vijf van de zeven plaatjes. Twee plaatjes (waaronder nijn-eleven) werden geacht een té strakke kopie te zijn van het origineel, vooral omdat ze eenvoudigweg met copy-paste gemaakt waren. En de heersende leer ten aanzien van de parodie-exceptie was dat men in een parodie niet verder mag gaan in het overnemen van het origineel dan nodig is om parodiërend karakter duidelijk te maken. Dat is uitgemaakt in het Suske en Wiske arrest uit 1984.

Zowel Bruna als Punt.nl gingen in hoger beroep; Bruna vanwege de toegelaten vijf plaatjes en Punt.nl vanwege de niet toegelaten twee. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde deze week dat álle plaatjes geoorloofd zijn en stelde Punt.nl dus geheel in het gelijk. Het hof honoreerde daarbij het parodie-verweer van Punt.nl:
Het gaat hierbij om parodiërend gebruik, immers om nabootsingen in een enigszins gewijzigde vorm waardoor de figuur Nijntje tot voorwerp van de lachlust wordt gemaakt en waardoor de teneur van het oorspronkelijke werk op humoristische, overwegend ironische wijze wordt veranderd.
Bruna had aangevoerd dat er grenzen zijn aan parodiërend gebruik van een werk. Het hof erkent dat, maar geeft aan dat deze in dit geval niet overschreden zijn:
`Aan Mercis c.s. kan worden toegegeven dat niet iedere als ‘humor’ gepresenteerde associatie van Nijntje met drugs, seks, terrorisme, racisme, of andere onderwerpen die niet als ‘braaf’ worden beschouwd, een toelaatbare parodie oplevert. De wetgever heeft de vrijheid tot parodiërend gebruik begrensd door de redelijkheid en de regels van het maatschappelijk verkeer. Per voorkomend geval moet worden beoordeeld of die begrenzing in acht is genomen. Zoals hiervoor reeds is overwogen acht het hof de gestelde grenzen hier nog niet overschreden.'

Het feit dat de afbeeldingen gemakkelijk gevonden kunnen worden door kinderen, die de finesse van de parodie niet begrijpen maakt dat niet anders: “Het hof acht de hierdoor aanwezige kans op verwarring en reputatieschade alsmede op aantasting van de betrokken belangen van Mercis c.s. […] niet dusdanig groot dat dit aan toepasselijkheid van de in art. 18b Aw [de parodie-exceptie; LB] vervatte beperking van het auteursrecht in de weg staat.

Maar het hof ging dus ook verder dan de rechtbank. Oók de nijn-eleven afbeelding en een ander plaatje waar geknipt en geplakt was vonden bij het hof genade:
Door de sterk vergrote ogen en het toegevoegde plaatje op het shirtje op afbeelding 1 respectievelijk het toegevoegde flatgebouw op afbeelding 7, in combinatie met de begeleidende teksten (“Het pilletje, Nijntje staat strak…” bij afbeelding 1 respectievelijk “nijn-eleven” in afbeelding 7) is, met behoud van de voor een parodie noodzakelijke herkenbaarheid van het origineel, voldoende afstand tot het origineel genomen om de parodie niet als een klakkeloze kopie aan te merken.

Volgens het hof mag de afwijking met het origineel kennelijk ook gelegen zijn in de context. Anders gezegd: men mag een Nijntje figuur één-op-één kopieëren, als men er vervolgens maar wat nieuwe, parodiërende zaken omheen plaatst. (Dat dát in casu feitelijk gebeurd is wordt heel duidelijk als u deze met dezeafbeelding vergelijkt.)

Naar mijn indruk is dit nieuw: er wordt hiermee afgeweken van het bovengenoemde Suske en Wiske arrest. Dat had destijds betrekking op een anarchistische (“De Keizerkraker”) respectievelijk pornografische (“ De Glunderende Gluurder”) versie van de bekende Suske en Wiske albums. De Hoge Raad vond destijds de gelijkenis met de bekende Suske en Wiske albums veel verder gaan dan nodig was. Ik heb de stellige indruk dat met de thans door het Amsterdamse hof gebruikte invulling van “voldoende afstand tot het origineel” deze albums toegelaten zouden moeten worden. Of zou de omvang van het werk (één plaatje is natuurlijk nog iets anders dan een geheel album) hier nog een rol spelen?

Op het persoonlijkheidsrechtelijke vlak neemt het hof het oordeel van de Voorzieningenrechter over dat “een geslaagd beroep op de exceptie van art. 18b Aw geacht wordt mede te omvatten dat geen beroep op persoonlijkheidsrechten kan worden gedaan en dat een (geslaagde) parodie niet meer is dan dat en derhalve niet kan worden aangemerkt als een “misvorming, verminking of andere aantasting” als bedoeld in art. 25 (lid 1 sub d) Aw. Dat oordeel is juist. Het ligt besloten in de vaststelling dat het gewraakte gebruik van het auteursrechtelijk beschermde werk in het onderhavige geval in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is.`
Ook dit is niet zonder belang: de Voorzieningenrechter had dit weliswaar al overwogen, maar een gerechtshof staat toch weer een trapje hoger in de rechtelijke hiërarchie.

Tot slot de merkenrechtelijke uitsmijter: áls al moet worden geoordeeld dat de litigieuze plaatjes overeenstemmen met de gedeponeerde merken, dan geldt ook hier de parodie-exceptie. Het hof: “In aanmerking nemende de vastgestelde humoristische bedoeling, het ontbreken van concurrentiemotieven, de bewaarde afstand tot de merken van Mercis en het ontbreken van verwarringsgevaar is […] sprake van een geldige reden [voor het gebruik van het merk], zodat – nog daargelaten dat voorshands niet […]is gebleken dat aan de overige vereisten in die verdragsbepaling is voldaan – de vordering van Mercis c.s. niet op haar merkrechten kan worden gebaseerd.
Een erkenning dus van de parodie in het merkenrecht, die een geldige reden oplevert voor het gebruik van het merk. Hoewel dit al wel eens eerder is gehonoreerd, is ook dit toch een behoorlijke zeldzaamheid.

Kortom: best een belangrijk arrest. De vraag is natuurlijk of de Hoge Raad hier nog aan te pas gaat komen. Ik vermoed eerlijk gezegd van wel. Er zijn genoeg interessante punten waar het oordeel van de Hoge Raad over gevraagd kan worden (en Bruna c.s. hebben daar alle belang bij):
1. is bij het één-op-één overnemen van een afbeelding, die vervolgens in een andere context wordt geplaatst voldoende afstand van het origineel genomen?
2. is er bij een toegelaten parodie per definitie geen ruimte meer voor het persoonlijkheidsrecht?
3. levert parodiërend merkgebruik een geldige reden op voor het gebruik van het merk?

(Mijn persoonlijke antwoorden: 1. nouhou… dat weet ik nog niet zo net; 2. ja; 3. moet kunnen.)

Nijntje mag een lijntje