icon

De intentie maakt het huishouden

De Huisvestingswet verbiedt het omzetten van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte, tenzij daarvoor vergunning is verleend. Onder zelfstandige woonruimte wordt in de regel verstaan een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

Indien een aantal personen een zelfstandige woonruimte gezamenlijk bewoont, is er volgens de rechtspraak sprake van omzetting in onzelfstandige woonruimte, indien deze bewoners geen huishouden vormen. Dan wordt aangenomen dat er meer huishoudens zijn, die onzelfstandige woonruimtes bewonen. Er wordt dan kamersgewijs woonverblijf verschaft.

Let wel: het gaat hier uitsluitend om de wijze van bewoning van de woonruimte. Ook indien de woonruimte niet bouwkundig is gewijzigd wordt aangenomen dat omzetting naar onzelfstandige woonruimte heeft plaatsgevonden.

Cruciaal is de vraag of bewoning door één of meer huishoudens plaatsvindt. De bestuursrechter waagt zich dus aan de beoordeling wat onder een huishouden moet worden verstaan, hetgeen gezien de grote variëteit aan samenlevingsvormen een nogal glibberig terrein is.

In een aantal uitspraken hanteerde de Afdeling bestuursrechtspraak als tweeledig criterium dat aannemelijk dient te worden gemaakt dat 1) sprake was van een vaste groep personen tussen wie een band bestond die het enkel gezamenlijk bewonen van bepaalde woonruimte te boven gaat en 2) die de bedoeling hadden om bestendig en voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen (o.m. Afd. bs. 24 augustus 2011, LJN: BR5663).

In een recente uitspraak (24 oktober 2012) toetst de Afdeling alleen aan het tweede deel (nl. de intentie om bestendig en voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen) en wordt het eerste deel (nl. het bestaan van een band die het enkel gezamenlijk bewonen te boven gaat) niet meer genoemd. Wellicht heeft de Afdeling het beter geacht dit deel te laten vervallen. Daar is wel wat voor te zeggen. Het lijkt ondoenlijk voor een rechter te toetsen of een dergelijke band bestaat.

Hetgeen resteert biedt echter evenmin houvast. Er is sprake van een huishouden indien de intentie om bestendig voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen kan worden aangenomen. Dit kon door de Afdeling in laatstgenoemde uitspraak niet worden aangenomen omdat uit verklaringen van de bewoners was gebleken dat zij geen familie maar collega's van elkaar waren en twee van hen huisvesting in de woning hadden gevonden door tussenkomst van de derde bewoner, die de woning huurde. Zij hadden geen gezamenlijke bankrekening voor de betaling van de vaste lasten en naar verwachting zouden binnen korte tijd twee van hen elders gaan wonen en zouden er twee nieuwe bewoners arriveren. Alleen de bewoner die de woning huurde, was op het adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie.

De uitkomst van de rechterlijke beoordeling in vergelijkbare gevallen zal dus in hoge mate afhankelijk zijn van de feiten en omstandigheden van het geval én de verklaringen die betrokkenen over hun intenties en voornemens afleggen.

De intentie maakt het huishouden