icon

Actualiteiten beste beschikbare technieken

Het omgevingsrecht eist dat in een inrichting minimaal de beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. In deze blog aandacht voor twee recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak, respectievelijk van 23 januari en 6 februari 2013, die kort gezegd inzicht geven over waar de grenzen liggen van toepassing van BBT. In beide uitspraken betreft het een vergunning voor een raffinaderij. Daar doen zich wat betreft de bepaling van BBT vrij specifieke kwesties en vragen voor. Over BBT en toepassing daarvan in raffinaderijen schreef ik al eerder blogs.

De uitspraak van 23 januari 2013 is gedaan naar aanleiding van een verzoek van de Stichting Natuur & Milieu tot actualisatie van de vergunning. Kort samengevat vindt deze organisatie dat de uitstoot van koolstofoxide (NOx) verder moet worden gereduceerd, hetgeen kan worden bereikt door toepassing van een bepaalde techniek, geheten selectieve katalytische reductie (SCR). SCR wordt in het Europese BBT-document, het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen (BREF R), als toepassing van BBT aangemerkt. Het bedrijf heeft geen SCR-installatie. Volgens de Stichting Natuur & Milieu moet de vergunningverlener het bedrijf verplichten deze techniek toe te passen of een studie naar toepassing daarvan te verrichten.

De Afdeling overweegt dat de in de vergunning toegestane jaarvracht voor NOx overeenkomt met een emissieconcentratie voor NOx van 164 mg/Nm3. Deze concentratie ligt onder de bovengrens van de met toepassing van BBT overeenkomende emissieconcentratierange uit het BREF R (deze bovengrens is 165 mg/Nm3). Op basis hiervan oordeelt de Afdeling dat nu het toegestane emissieplafond voor NOx overeenkomt met de voor de inrichting ten minste in aanmerking komende beste beschikbare technieken, de vergunningverlener geen NOx-verlagende technieken of een studie hiernaar hoefde voor te schrijven of een maximale emissieconcentratie voor NOx vast te stellen.

Uit deze uitspraak valt kortom af te leiden dat als een inrichting reeds voldoet aan het vereiste van toepassing van ten minste BBT – hetgeen volgens vaste jurisprudentie ook het geval is als aan een bovengrens van een range wordt voldaan – geen verdere emissieverlagende technieken of studies daarnaar hoeven te worden voorgeschreven.

De uitspraak van 6 februari 2013 is met name interessant wat betreft de overwegingen van de Afdeling over de bubblebenadering. De bubblebenadering houdt in dat een emissienorm voor bijvoorbeeld zwaveldioxide (SO2 ) wordt gegeven voor de inrichting als geheel en niet voor alle installaties binnen een inrichting; de inrichting wordt als het ware als een schoorsteen beschouwd die aan het vereiste van minimaal BBT moet voldoen. Deze benadering maakt het mogelijk dat minder presterende installaties kunnen worden gecompenseerd door beter dan BBT presterende installaties.

In de zaak die tot de uitspraak leidde was o.a. discussie over het rendement van de zwavelterugwinningseenheden (SRU's) waarmee de bubble voor SO2 moest worden berekend. De vergunningverlener heeft voor de bubble gerekend met een rendement van 99,5% (zich baserend op het Europese BBT-document, het BREF Aardolie- en aardgasraffinaderijen, waarin een range van 99,5-99,9% voor nieuwe installaties wordt gegeven, met een splitview voor bestaande installaties van 98,5%). De SRU's in de inrichting hebben een feitelijke prestatie van 99,8%. Dit laatste rendement wordt gegeven in de Regeling E6 in de NeR, die in de Oplegnotitie Raffinaderijen van toepassing is verklaard omdat in het BREF sprake is van een splitview. De Afdeling oordeelt allereerst (zoals ook al in de tussenuitspraak van 9 mei 2012 dat de NeR het aangewezen document is waarmee rekening moet worden gehouden en dat op grond van de E6-Regeling van een rendement van 99,8 % had moeten worden uitgegaan. Vervolgens overweegt de Afdeling dat de mogelijkheid om te kunnen compenseren niet betekent dat de bubblebenadering een hogere totale uitstoot van SO2 mogelijk kan maken dan mogelijk zou zijn indien alle installaties aan BBT voldoen. De som van de met toepassing van BBT overeenkomende SO2-emissies van alle afzonderlijke onder de bubble gebrachte installaties is de bovengrens voor het SO2-emissieplafond, aldus de Afdeling. De Afdeling stelt hiermee een bovengrens aan bubbles en hoe die moet worden berekend.

Overigens wordt het BREF R momenteel herzien, waarbij onder andere de emissienormen voor NOx, SO2 en het rendement van zwavelterugwinningseenheden (nieuwe en bestaande installaties) belangrijke onderwerpen zijn. Het tweede ontwerp voor de herziening (Draft 2) dateert van maart 2012. In maart 2013 zal de werkgroep die de herziening voorbereidt (TWG) opnieuw bijeenkomen om een finale verzie te maken. De verwachting is de herziening van het BREF in het vierde kwartaal van 2013 gereed zal zijn.


Cathine Knijff is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied omgevingsrecht

Actualiteiten beste beschikbare technieken