icon

Drugspanden en civielrechtelijke ontruiming

Indien in of bij een woning middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijsten I en II worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn, is de burgemeester bevoegd de woning te sluiten (artikel 13b lid 1 Opiumwet, de zogeheten “burgemeesterssluiting”). Als de overtredende bewoner de woning huurt, kan de verhuurder van die woning op grond van artikel 7:231 lid 2 BW in dat geval de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbinden.

Recent heeft de kantonrechter te Rotterdam in kort geding echter een vordering van de verhuurder tot ontruiming op grond van voornoemd artikel 7:231 lid 2 BW afgewezen.

De kantonrechter overwoog dat de op grond van artikel 7:231 lid 2 BW gebaseerde vordering tot ontruiming in kortgeding alleen kan worden toegewezen als in vergaande mate aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de huurovereenkomst terecht buitengerechtelijk is ontbonden. Die aannemelijkheid zag de kantonrechter hier niet.

Bij de beoordeling daarvan moest volgens de kantonrechter in casu namelijk bedacht worden dat het niet uitgesloten was dat het besluit tot sluiting in bezwaar en beroep daartegen geen stand zou houden. De huurder had weliswaar nog geen bezwaar aangetekend maar zij had daarvoor nog enkele weken de tijd, aldus de kantonrechter. Als het besluit van de burgemeester tot sluiting geen stand houdt is de grondslag van de buitengerechtelijke ontbinding ondeugdelijk, en is de ontbindingsverklaring in die zin nietig dat zij niet het beoogde rechtsgevolg heeft en dan ook niet leidt tot ontbinding van de huurovereenkomst.

Bij de beoordeling van een vordering tot ontruiming op grond van een (nog) niet onherroepelijk besluit tot sluiting, moet de rechter zich er dan ook rekenschap van geven dat het besluit kan worden vernietigd en moet hij zich een oordeel vormen over de kans dat het besluit vernietigd wordt.

Zou het besluit overigens al wel onherroepelijk zijn, en vaststaan dat de verhuurder gerechtigd was de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, dan moet in de ontruimingsprocedure niettemin nog worden beoordeeld of het gebruik maken van de bevoegdheid tot ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is, waarbij getoetst moet worden of de gevolgen van de ontruiming evenredig zijn aan het doel ervan en waarbij rekening moet worden gehouden met het woonbelang van de huurder.

De kantonrechter komt dan vervolgens tot het oordeel dat al deze zaken nog onvoldoende vaststaan, en dat de op voornoemde grond gebaseerde ontbindingsvordering in kort geding (nog) niet kan worden toegewezen.


Christopher Seine is niet meer werkzaam bij Wieringa Advocaten. Indien u een vraag heeft naar aanleiding van deze blog dan kunt u zich wenden tot één van de advocaten binnen het praktijkgebied huurrecht

Drugspanden en civielrechtelijke ontruiming